[11] 1Kon. 19: 1-8
Collectie: 2412-noorlandt-tape-150
U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.
Dit gedeelte, gemeente, tekent ons ten eerste een goddeloos avondgesprek, ten tweede een godvruchtig avondgebed en ten derde een goddelijk avondmaal. Dus ten eerste een goddeloos avondgesprek. Leest u maar mee, vers 1 en 2. En Achab zeide Izebel aan al wat Elia gedaan had en alle die hij gedood had, te weten al de profeten met het zwaard. Toen zond Izebel een bode tot Elia om te zeggen: “Zo doen mij de goden en doen zodan toe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen als de ziel van één hunner.” De strijd op de Karmel, gemeente, die is gestreden. Dat leest u in het vorige hoofdstuk. En de uitslag is duidelijk. Er valt niet aan te twijfelen: de Heere is God. De Heere is God. En de hand des Heeren is over de profeet Elia. En hij doet de koning Achab uitgeleide naar zijn tweede huis, zijn paleis in Jizreël. Elia, de man Gods, kind Gods, knecht Gods, ondersteund door zijn God. Middelaar van het verbondsvolk, type van Christus. En Achab komt thuis, ’s avonds laat. “Zo man, hoe is het geweest?” En zijn vrouw Izebel, die heeft er natuurlijk wel wat van gehoord, maar ze wil het horen uit de mond van haar man Achab. “Hoe is het geweest vandaag op de Karmel en onder de dreiging van de matteklopper?” Gemeente, biecht hij alles op aan zijn vrouw. Nou ja, alles. Achab, die zegt wat Elia gedaan heeft. En die zegt niet wat de Heere God gedaan heeft. Vrouw, die die Elia, die heeft al jouw profeten gedood. Wat jij met de profeten des Heren gedaan heeft, dat heeft Elia gedaan. Slechte verliezer die Achab jammerlijk vindt je. Het is een zielenpoot, gemeente, want net als altijd zoekt hij de gunst van zijn vrouw en niet de gunst des Heren. En hij spreekt met geen enkel woord over de heerlijkheid Gods die op de Karmel bekend werd. Hij spreekt alleen over de schande die is aangedaan aan de Baäl profeten, aan de Baäl priesters. Hier ziet u, gemeente, de vloek van het gemengde huwelijk. Een Israëliet getrouwd met een heidense vrouw. Hier ziet u Achab in, koning Achab in zijn ware gedaante, ondergeschikt aan zijn heidense vrouw. De droogte van 3,5 jaar. Twee gevechten op de Karmel tussen Baäl en de Heere, de overvloedige regen, het heeft bij bij Achab niks uitgehaald. Het heeft Achab niets gedaan. En dat blijkt uit zijn verslag aan zijn bazin. Achab die is net als de wereld. Als er wat gebeurt in ons leven: “Is dat nou een God van liefde?” En we merken niet op de daden Gods, de wondere Gods en de genade Gods. En het was gezegd: “Wie door vuur antwoordde, dat is de Heere.” Ja het volk, ja dat zei het volk, ja, dat doen we. “Wie door vuur antwoordde, dat is de Heere God.” Maar belijden en beleven dat zijn twee zaken die vaak ver van elkaar verwijderd zijn. En op elke zondag wordt in de gemeente, dat gebeurt ook hier, uitgeroepen door ons te belijden is: de Heere is God, de Heere is God. Onze belijdenis is is wel rechtszinnig en dat moet ook. Maar is onze beleving in overeenstemming met onze belijdenis? Is het van van dag tot dag en dat geldt ook voor onze jonge vrienden vanmorgen, is het een een van dag tot dag buigen onder de tucht van het Woord in heel ons leven? Onze belijdenis,
Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?
Dit gedeelte, gemeente, tekent ons ten eerste een goddeloos avondgesprek, ten tweede een godvruchtig avondgebed en ten derde een goddelijk avondmaal. Dus ten eerste een goddeloos avondgesprek. Leest u maar mee, vers 1 en 2. En Achab zeide Izebel aan al wat Elia gedaan had en alle die hij gedood had, te weten al de profeten met het zwaard. Toen zond Izebel een bode tot Elia om te zeggen: "Zo doen mij de goden en doen zodan toe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen als de ziel van één hunner." De strijd op de Karmel, gemeente, die is gestreden. Dat leest u in het vorige hoofdstuk. En de uitslag is duidelijk. Er valt niet aan te twijfelen: de Heere is God. De Heere is God. En de hand des Heeren is over de profeet Elia. En hij doet de koning Achab uitgeleide naar zijn tweede huis, zijn paleis in Jizreël. Elia, de man Gods, kind Gods, knecht Gods, ondersteund door zijn God. Middelaar van het verbondsvolk, type van Christus. En Achab komt thuis, 's avonds laat. "Zo man, hoe is het geweest?" En zijn vrouw Izebel, die heeft er natuurlijk wel wat van gehoord, maar ze wil het horen uit de mond van haar man Achab. "Hoe is het geweest vandaag op de Karmel en onder de dreiging van de matteklopper?" Gemeente, biecht hij alles op aan zijn vrouw. Nou ja, alles. Achab, die zegt wat Elia gedaan heeft. En die zegt niet wat de Heere God gedaan heeft. Vrouw, die die Elia, die heeft al jouw profeten gedood. Wat jij met de profeten des Heren gedaan heeft, dat heeft Elia gedaan. Slechte verliezer die Achab jammerlijk vindt je. Het is een zielenpoot, gemeente, want net als altijd zoekt hij de gunst van zijn vrouw en niet de gunst des Heren. En hij spreekt met geen enkel woord over de heerlijkheid Gods die op de Karmel bekend werd. Hij spreekt alleen over de schande die is aangedaan aan de Baäl profeten, aan de Baäl priesters. Hier ziet u, gemeente, de vloek van het gemengde huwelijk. Een Israëliet getrouwd met een heidense vrouw. Hier ziet u Achab in, koning Achab in zijn ware gedaante, ondergeschikt aan zijn heidense vrouw. De droogte van 3,5 jaar. Twee gevechten op de Karmel tussen Baäl en de Heere, de overvloedige regen, het heeft bij bij Achab niks uitgehaald. Het heeft Achab niets gedaan. En dat blijkt uit zijn verslag aan zijn bazin. Achab die is net als de wereld. Als er wat gebeurt in ons leven: "Is dat nou een God van liefde?" En we merken niet op de daden Gods, de wondere Gods en de genade Gods. En het was gezegd: "Wie door vuur antwoordde, dat is de Heere." Ja het volk, ja dat zei het volk, ja, dat doen we. "Wie door vuur antwoordde, dat is de Heere God." Maar belijden en beleven dat zijn twee zaken die vaak ver van elkaar verwijderd zijn. En op elke zondag wordt in de gemeente, dat gebeurt ook hier, uitgeroepen door ons te belijden is: de Heere is God, de Heere is God. Onze belijdenis is is wel rechtszinnig en dat moet ook. Maar is onze beleving in overeenstemming met onze belijdenis? Is het van van dag tot dag en dat geldt ook voor onze jonge vrienden vanmorgen, is het een een van dag tot dag buigen onder de tucht van het Woord in heel ons leven? Onze belijdenis,
