[40] Mat. 13: 24-30

Voorganger

Brons, J.

Datum preek

27 januari 1974

U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.

Zolang wij hier op aarde zijn gemeente, zal het volmaakte door ons nooit worden bereikt.

Ook al is het dat de Here door zijn Geest het werk der wedergeboorte in ons heeft verheerlijkt en wij daardoor tot nieuwe mensen zijn geworden. Ook dan nog moeten we het belijden, zoals Gods kerk het in zondag 44 van de catechismus doet, dat ook de allerheiligste nog maar een klein beginsel heeft van deze nieuwe gehoorzaamheid.

Nee, daar mag door ons geen misbruik van gemaakt worden. In die zin dat wij ons met het onvolmaakte tevreden zouden stellen. En dat wij ons lijdelijk bij de bestaande situatie neer zouden leggen, waarbij maar al te vaak op het toch niet volmaakt zijn een beroep wordt gedaan om het verkeerde in ons leven goed te praten.

Dat verbiedt het woord van God ons ten stelligste. Het woord van God spoort ons met alle klem aan om ten bloede toe, dat wil zeggen met de uiterste krachtinspanning te strijden tegen de zonde en om nooit en te nimmer met de ongerechtigheid ook maar enige vrede te hebben.

Anderzijds bestaat er echter het gevaar dat het niet bereiken van de volmaaktheid ons moedeloos kan maken. En dat het vele kwade, het verkeerde wat er in ons leven is ook na ontvangen genade, dat ons er dat aan kan doen kan doen twijfelen of de Here wel ooit zijn werk in ons leven begonnen is.

En daar is de duivel altijd op uit om ons zover te brengen. Maar hoe rijk wil het woord van God ons dienaangaande onderwijzen en troosten? En hoe treffend doet de Here Jezus dat vooral vanavond in de gelijkenis die we met u willen overdenken. Bespreken vanavond tot u over de gelijkenis van de vermenging van het onkruid onder de tarwe. En we letten daarbij op de vraag die hierover wordt gesteld, ten tweede op het antwoord dat hierop wordt gegeven en ten derde op het uitzicht dat hierdoor wordt geopend.

Dus de gelijkenis van de vermenging van het onkruid onder de tarwe, de vraag die hierover wordt gesteld, het antwoord dat hierop wordt gegeven en het uitzicht dat hierdoor wordt geopend.

Evenals in de eerste gelijkenis van Mattheüs 13, vertelt de Here Jezus ook in de tweede gelijkenis van dit hoofdstuk in de gelijkenis van onze tekst van een zaaier die uitging om te zaaien. Het is goed zaad wat hij in de door hem toebereide aarde heeft uitgestrooid. Wat dat betreft, dan mag er een goede oogst worden verwacht.

Doch wat gebeurt? De zaaier uit onze gelijkenis heeft een een vijand die hem haat met met heel zijn ziel en die er steeds op uit is om op alle mogelijke manieren hem schade en nadeel te berokkenen. En deze vijand ontziet zich niet om daarbij ook van de laatste en de gemeenste middelen gebruik te maken.

In de nacht dan sluipt hij naar die pas bezaaide akker, gedekt door het nachtelijk donker, wanneer alle mensen slapen, verricht hij zijn duivelswerk. En met gretige hand graait hij, grijpt hij in zijn zaaibak en het is niet maar een klein gedeelte, maar maar heel die die akker, die bewerkte akker die nu opnieuw door hem bewerkt wordt.

Maar het is geen goed zaad, onkruidzaad wat hij daarin uitstrooit. En het duivels leedvermaak is er in zijn hart en een duivelse grijnslach speelt er om zijn lippen. En als hij klaar is dan gaat hij heen in vertrouwen dat dat onkruidzaad zijn verwoestende werking zal doen. Zo in het geheim zo stiekem heeft hij het gedaan dat niemand er wat van heeft gemerkt.

En ook wanneer van na verloop van tijd het beide zaad


Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?


Zolang wij hier op aarde zijn gemeente, zal het volmaakte door ons nooit worden bereikt. 

Ook al is het dat de Here door zijn Geest het werk der wedergeboorte in ons heeft verheerlijkt en wij daardoor tot nieuwe mensen zijn geworden. Ook dan nog moeten we het belijden, zoals Gods kerk het in zondag 44 van de catechismus doet, dat ook de allerheiligste nog maar een klein beginsel heeft van deze nieuwe gehoorzaamheid. 

Nee, daar mag door ons geen misbruik van gemaakt worden. In die zin dat wij ons met het onvolmaakte tevreden zouden stellen. En dat wij ons lijdelijk bij de bestaande situatie neer zouden leggen, waarbij maar al te vaak op het toch niet volmaakt zijn een beroep wordt gedaan om het verkeerde in ons leven goed te praten. 

Dat verbiedt het woord van God ons ten stelligste. Het woord van God spoort ons met alle klem aan om ten bloede toe, dat wil zeggen met de uiterste krachtinspanning te strijden tegen de zonde en om nooit en te nimmer met de ongerechtigheid ook maar enige vrede te hebben. 

Anderzijds bestaat er echter het gevaar dat het niet bereiken van de volmaaktheid ons moedeloos kan maken. En dat het vele kwade, het verkeerde wat er in ons leven is ook na ontvangen genade, dat ons er dat aan kan doen kan doen twijfelen of de Here wel ooit zijn werk in ons leven begonnen is. 

En daar is de duivel altijd op uit om ons zover te brengen. Maar hoe rijk wil het woord van God ons dienaangaande onderwijzen en troosten? En hoe treffend doet de Here Jezus dat vooral vanavond in de gelijkenis die we met u willen overdenken. Bespreken vanavond tot u over de gelijkenis van de vermenging van het onkruid onder de tarwe. En we letten daarbij op de vraag die hierover wordt gesteld, ten tweede op het antwoord dat hierop wordt gegeven en ten derde op het uitzicht dat hierdoor wordt geopend. 

Dus de gelijkenis van de vermenging van het onkruid onder de tarwe, de vraag die hierover wordt gesteld, het antwoord dat hierop wordt gegeven en het uitzicht dat hierdoor wordt geopend. 

Evenals in de eerste gelijkenis van Mattheüs 13, vertelt de Here Jezus ook in de tweede gelijkenis van dit hoofdstuk in de gelijkenis van onze tekst van een zaaier die uitging om te zaaien. Het is goed zaad wat hij in de door hem toebereide aarde heeft uitgestrooid. Wat dat betreft, dan mag er een goede oogst worden verwacht. 

Doch wat gebeurt? De zaaier uit onze gelijkenis heeft een een vijand die hem haat met met heel zijn ziel en die er steeds op uit is om op alle mogelijke manieren hem schade en nadeel te berokkenen. En deze vijand ontziet zich niet om daarbij ook van de laatste en de gemeenste middelen gebruik te maken. 

In de nacht dan sluipt hij naar die pas bezaaide akker, gedekt door het nachtelijk donker, wanneer alle mensen slapen, verricht hij zijn duivelswerk. En met gretige hand graait hij, grijpt hij in zijn zaaibak en het is niet maar een klein gedeelte, maar maar heel die die akker, die bewerkte akker die nu opnieuw door hem bewerkt wordt. 

Maar het is geen goed zaad, onkruidzaad wat hij daarin uitstrooit. En het duivels leedvermaak is er in zijn hart en een duivelse grijnslach speelt er om zijn lippen. En als hij klaar is dan gaat hij heen in vertrouwen dat dat onkruidzaad zijn verwoestende werking zal doen. Zo in het geheim zo stiekem heeft hij het gedaan dat niemand er wat van heeft gemerkt. 

En ook wanneer van na verloop van tijd het beide zaad

No information on J. Brons yet available.