[19] Ps. 73: 27, 28

Voorganger

Hoek, F.

Datum preek

5 mei 1985

U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.

Gemeente, we hebben denk ik alle wel eens de vraag in ons voelen opkomen: hoe kan God dat nu toch allemaal toelaten? Want wie om zich heen kijkt in deze wereld, die staat toch versteld van wat tegenwoordig allemaal kan en mag. Het lijkt alsof de mens die met God nog gebod rekening houdt zijn gang maar kan gaan.

En hoe vaak zien we niet dat gelovigen, dat kinderen van God getroffen worden door moeite en verdriet, terwijl de goddelozen, de mensen die nergens aan doen, het voor de wind gaat en enkel maar voorspoed hebben. Hoe kan dat? Is er dan geen God die alles regeert? Wat heeft het eigenlijk voor zin om te geloven? Zulke vragen kunnen bij u, bij jou en bij mij opkomen als we de wereld rondom ons bezien, maar wellicht ook als we ons eigen leven bezien.

We lopen vast en we raken verstrikt in alles wat op ons afkomt. Hoe is dat alles nu toch mogelijk, dat dit mij nu overkomt, dat dit juist ons treft? Smartelijke vragen zijn het. Vragen die geen antwoord vinden. Ze liggen als rotsblokken op ons levenspad. We lopen er tegen aan en dat doet pijn.

Maar wie denkt dat dit soort vragen, typisch vragen zijn van deze tijd, die heeft het mis. Dit zijn geen problemen van de 20e eeuw, problemen die voorheen niet bestonden. Nee, want precies dezelfde vragen en aanvechtingen leefden ook bij Asaf, de dichter van Psalm 73. Het leven is voor Asaf één groot raadsel. Hij begrijpt het niet.

Hij zag de goddelozen. Zij waren de rijken en de wijzen onder het volk en zij rekenden met God noch gebod. Ze bekommerden zich niet om God en om de godsdienst. En toch gaat het hun goed, heel goed zelfs. Het leven verloopt voor hen gladjes, zonder grote strubbelingen en zonder enige tegenslag of hindernis.

Asaf zegt: “Het gaat de goddelozen zelfs beter dan zij zichzelf hadden ingebeeld.” Ze worden overmoedig en ze gaan spotten. Ze steken de draak met God zelf en met met mensen zoals Asaf. “Waar is God? Waar is nu uw God?” En de dichter, hij wordt erdoor in verwarring gebracht.

Zijn die goddelozen niet het overtuigende bewijs dat men in deze wereld zonder God veel verder komt? Immers, wanneer de psalmist zijn eigen leven beziet, is de tegenstelling toch wel schrijnend. Hij zit rondom in de zorgen en het verdriet. De dag begint ermee en de dag eindigt ermee. De vraag grijpt hem naar de keel: “Wat haal de dienst des Heeren uit? Wat heb je eraan om de Heere lief te hebben, om de Heere te dienen?”

De dichter van Psalm 73 komt zelfs zover dat hij zegt: “Wat maakt het toch in wezen uit? Of je nu leeft als een vrome of dat je leeft als een goddeloze.” De goddelozen hebben het immers veel beter. Zij berusten in de wereld. Zij vermenigvuldigen het vermogen. “Het is tevergeefs”, gaat Asaf verder, “om je handen in onschuld te wassen en om oprecht te leven.”

Wat maakt het nou toch uit of je God nu wel of dat je God niet dient? Ja, de gedachte komt zelfs bij hem op om alles maar aan de kant te zetten en om ook te gaan leven als die goddelozen. Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken, mijn treden waren bijkans uitgeschoten.

En laat u nu niet te snel de beschuldigende vinger opheffen en zeggen: “Asaf, hoe durf je dat nu te zeggen? Hoe durf je dat nu te denken van de Heere God?” Want wie dat zegt, die kent zijn eigen hart en leven niet. U en ik, we zijn geen haar beter dan deze dichter. Het moet er maar eens ontspannen in ons leven.

Asaf, hij wordt van alle kanten aangevallen en aangevochten. Hij heeft het tot stikkens toe benauwd. Hij weet het niet meer. Hij begrijpt het niet meer. Hij kan het niet meer rondkrijgen. Heere, waar bent U toch?


Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?


Gemeente, we hebben denk ik alle wel eens de vraag in ons voelen opkomen: hoe kan God dat nu toch allemaal toelaten? Want wie om zich heen kijkt in deze wereld, die staat toch versteld van wat tegenwoordig allemaal kan en mag. Het lijkt alsof de mens die met God nog gebod rekening houdt zijn gang maar kan gaan.

En hoe vaak zien we niet dat gelovigen, dat kinderen van God getroffen worden door moeite en verdriet, terwijl de goddelozen, de mensen die nergens aan doen, het voor de wind gaat en enkel maar voorspoed hebben. Hoe kan dat? Is er dan geen God die alles regeert? Wat heeft het eigenlijk voor zin om te geloven? Zulke vragen kunnen bij u, bij jou en bij mij opkomen als we de wereld rondom ons bezien, maar wellicht ook als we ons eigen leven bezien.

We lopen vast en we raken verstrikt in alles wat op ons afkomt. Hoe is dat alles nu toch mogelijk, dat dit mij nu overkomt, dat dit juist ons treft? Smartelijke vragen zijn het. Vragen die geen antwoord vinden. Ze liggen als rotsblokken op ons levenspad. We lopen er tegen aan en dat doet pijn.

Maar wie denkt dat dit soort vragen, typisch vragen zijn van deze tijd, die heeft het mis. Dit zijn geen problemen van de 20e eeuw, problemen die voorheen niet bestonden. Nee, want precies dezelfde vragen en aanvechtingen leefden ook bij Asaf, de dichter van Psalm 73. Het leven is voor Asaf één groot raadsel. Hij begrijpt het niet.

Hij zag de goddelozen. Zij waren de rijken en de wijzen onder het volk en zij rekenden met God noch gebod. Ze bekommerden zich niet om God en om de godsdienst. En toch gaat het hun goed, heel goed zelfs. Het leven verloopt voor hen gladjes, zonder grote strubbelingen en zonder enige tegenslag of hindernis.

Asaf zegt: "Het gaat de goddelozen zelfs beter dan zij zichzelf hadden ingebeeld." Ze worden overmoedig en ze gaan spotten. Ze steken de draak met God zelf en met met mensen zoals Asaf. "Waar is God? Waar is nu uw God?" En de dichter, hij wordt erdoor in verwarring gebracht.

Zijn die goddelozen niet het overtuigende bewijs dat men in deze wereld zonder God veel verder komt? Immers, wanneer de psalmist zijn eigen leven beziet, is de tegenstelling toch wel schrijnend. Hij zit rondom in de zorgen en het verdriet. De dag begint ermee en de dag eindigt ermee. De vraag grijpt hem naar de keel: "Wat haal de dienst des Heeren uit? Wat heb je eraan om de Heere lief te hebben, om de Heere te dienen?"

De dichter van Psalm 73 komt zelfs zover dat hij zegt: "Wat maakt het toch in wezen uit? Of je nu leeft als een vrome of dat je leeft als een goddeloze." De goddelozen hebben het immers veel beter. Zij berusten in de wereld. Zij vermenigvuldigen het vermogen. "Het is tevergeefs", gaat Asaf verder, "om je handen in onschuld te wassen en om oprecht te leven."

Wat maakt het nou toch uit of je God nu wel of dat je God niet dient? Ja, de gedachte komt zelfs bij hem op om alles maar aan de kant te zetten en om ook te gaan leven als die goddelozen. Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken, mijn treden waren bijkans uitgeschoten.

En laat u nu niet te snel de beschuldigende vinger opheffen en zeggen: "Asaf, hoe durf je dat nu te zeggen? Hoe durf je dat nu te denken van de Heere God?" Want wie dat zegt, die kent zijn eigen hart en leven niet. U en ik, we zijn geen haar beter dan deze dichter. Het moet er maar eens ontspannen in ons leven.

Asaf, hij wordt van alle kanten aangevallen en aangevochten. Hij heeft het tot stikkens toe benauwd. Hij weet het niet meer. Hij begrijpt het niet meer. Hij kan het niet meer rondkrijgen. Heere, waar bent U toch?

No information on F. Hoek yet available.