[49] Ef. 2: 4-5
Collectie: 2412-noorlandt-tape-150
U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.
Gemeente.
Stel u voor dat we vanavond met elkaar zouden moeten spreken over onszelf. Dan zou er weinig te zeggen zijn. Wat valt er te zeggen van een onbekeerd mens? Maar ook wat valt er te zeggen van een begenadigd mens? Weinig. Er waren er velen daar in die gemeente van Efeze, waarvan gezegd moet worden dat ze sliepen. Dat wil zeggen, ze gaven zich over aan de zonde van de wereld. Ze conformeerden zich met het heidendom. Ze leken op dat heidendom, en er was eigenlijk niets op het oog waarin zij van dat heidendom verschilden. Hoererij en onreinheid, afgodendienst, het kleefde de gemeente Gods te Efeze aan. Ze behoorden kinderen van het licht te zijn, maar ze waren kinderen van de duisternis. Teruggevallen in dat heidendom waaruit ze eertijds waren verlost. Wij kunnen daarvan lezen in de laatste hoofdstukken van deze brief. En het is dan ook niet voor niets dat in hoofdstuk 5, het 14e vers, Paulus tot die gemeente zegt: “Ontwaakt, gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten.” Die vermaning was nodig, want velen in die gemeente sliepen. Velen in die jonge gemeente te Efeze, ze handelden alsof het geen Pasen was geweest. Toen de gemeente nog in dat heidendom rondwoelde was de duisternis niet alleen rondom hen, maar ook in hen. Maar ze waren begenadigd door de genade van de Heilige Geest. En desondanks waren ze toch weer aan het heidendom gelijk geworden uiterlijk. Een begenadigd mens kan weer diep terugvallen. Laten we er maar nooit hoog tegenop zien. Gemeente, wat valt er van een mens te zeggen, van een onbekeerd mens, maar ook van een begenadigd mens? Wat valt er van hen te verwachten? Het gaat Paulus dan ook aan het hart dat deze jonge gemeente te Efeze weer terugvalt in de duisternis. En toch, toch is deze smart van de apostel niet de grondtoon van deze brief. Immers, als er van deze gemeente dan weinig te zeggen valt, des te meer valt er dan nog te zeggen van God en van Zijn daden. En dat nu is de inzet van deze brief, is de grondtoon van deze brief. God en Zijn daden. Van een mens valt niet veel goeds te zeggen, maar des te meer van God, en des te meer van Gods daden in een begenadigd mens. In het eerste hoofdstuk van deze brief aan Efeze, beschrijft Paulus dat wonderwerk Gods in de harten van deze gemeente. God had deze gemeente te Efeze verkoren van voor de grondlegging der wereld. God had hen verordineerd tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus in zichzelf naar het welbehagen van Zijn wil. God had deze gemeente vrijgekocht door Zijn Zoon. God had deze gemeente bekendgemaakt met de verborgenheid van Zijn wil. God had deze gemeente door het geloof verzegeld met de Heilige Geest der belofte. Dat alles kunt u lezen in het eerste hoofdstuk van deze brief. Al EjQKMgEMOdbHDdrOuuzkx34SG6gW9R74fvvZKYaMAujesDS/j9vs7GCBV2bwwYv6K4c+CDym
Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?
Gemeente.
Stel u voor dat we vanavond met elkaar zouden moeten spreken over onszelf. Dan zou er weinig te zeggen zijn. Wat valt er te zeggen van een onbekeerd mens? Maar ook wat valt er te zeggen van een begenadigd mens? Weinig. Er waren er velen daar in die gemeente van Efeze, waarvan gezegd moet worden dat ze sliepen. Dat wil zeggen, ze gaven zich over aan de zonde van de wereld. Ze conformeerden zich met het heidendom. Ze leken op dat heidendom, en er was eigenlijk niets op het oog waarin zij van dat heidendom verschilden. Hoererij en onreinheid, afgodendienst, het kleefde de gemeente Gods te Efeze aan. Ze behoorden kinderen van het licht te zijn, maar ze waren kinderen van de duisternis. Teruggevallen in dat heidendom waaruit ze eertijds waren verlost. Wij kunnen daarvan lezen in de laatste hoofdstukken van deze brief. En het is dan ook niet voor niets dat in hoofdstuk 5, het 14e vers, Paulus tot die gemeente zegt: "Ontwaakt, gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten." Die vermaning was nodig, want velen in die gemeente sliepen. Velen in die jonge gemeente te Efeze, ze handelden alsof het geen Pasen was geweest. Toen de gemeente nog in dat heidendom rondwoelde was de duisternis niet alleen rondom hen, maar ook in hen. Maar ze waren begenadigd door de genade van de Heilige Geest. En desondanks waren ze toch weer aan het heidendom gelijk geworden uiterlijk. Een begenadigd mens kan weer diep terugvallen. Laten we er maar nooit hoog tegenop zien. Gemeente, wat valt er van een mens te zeggen, van een onbekeerd mens, maar ook van een begenadigd mens? Wat valt er van hen te verwachten? Het gaat Paulus dan ook aan het hart dat deze jonge gemeente te Efeze weer terugvalt in de duisternis. En toch, toch is deze smart van de apostel niet de grondtoon van deze brief. Immers, als er van deze gemeente dan weinig te zeggen valt, des te meer valt er dan nog te zeggen van God en van Zijn daden. En dat nu is de inzet van deze brief, is de grondtoon van deze brief. God en Zijn daden. Van een mens valt niet veel goeds te zeggen, maar des te meer van God, en des te meer van Gods daden in een begenadigd mens. In het eerste hoofdstuk van deze brief aan Efeze, beschrijft Paulus dat wonderwerk Gods in de harten van deze gemeente. God had deze gemeente te Efeze verkoren van voor de grondlegging der wereld. God had hen verordineerd tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus in zichzelf naar het welbehagen van Zijn wil. God had deze gemeente vrijgekocht door Zijn Zoon. God had deze gemeente bekendgemaakt met de verborgenheid van Zijn wil. God had deze gemeente door het geloof verzegeld met de Heilige Geest der belofte. Dat alles kunt u lezen in het eerste hoofdstuk van deze brief.
Al
EjQKMgEMOdbHDdrOuuzkx34SG6gW9R74fvvZKYaMAujesDS/j9vs7GCBV2bwwYv6K4c+CDym
