[48] Gal. 6: 14

dankdag
Voorganger

Bergh, C. van den

Datum preek

4 november 1987

U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.

Maar het zij verre van mij dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus. Gemeente, misschien denkt u dat ik mij wat vergist heb in de tekstkeuze vanmorgen.

Zij verre van mij dat ik zou roemen.

En zo kunt u toch eigenlijk geen dankdienst voor gewas en arbeid beginnen, gemeente. Het is juist het tegendeel. Het zij verre van mij dat ik niet zou roemen. Het zij verre van mij dat ik zou zwijgen, mijn mond zou houden deze dag.

Want wij zijn vanmorgen bij elkaar gekomen. Wij hebben daarvoor de gelegenheid gekregen en de genegenheid ontvangen om dankstond te houden eh voor het gewas des velds en voor de arbeid onzer handen.

En wij nemen dan, gemeente, de dankstond voor gewas en arbeid in de meest ruimste zin van het woord. Al mogen wij daar deze morgen dan allereerst wel eh mee beginnen om eraan te denken dat God de Here ook in de afgelopen zomer heeft willen geven zaaiing en oogst en dat hij heeft willen geven de vruchten van het veld.

Dus dat wij letterlijk erbij bepaald worden eh bij het gewas.

Zaaiing en oogst en landbouw en veeteelt en veld en vee en akker en stal en uw schuur met alles wat deze bevolkt.

Gewas. Daar moet het allereerst van komen, gemeente, eh bij alle seugoraten eh surrogaten die men fabrieksmatig kan maken. Altijd blijft het nog waar wat Salomo gezegd heeft in zijn wijsheid dat zelfs de koning van het land gediend wordt.

Indien daar niets groeit op het land, als u koeien niet meer kalven en als de kippen geen eieren meer leggen, eh dan kan zelfs de rijkste man ter wereld op de duur niet meer eten. En wie dat niet gelooft, gemeente, eh die moet zijn licht maar eens op gaan steken in landen zoals Ethiopië en

landen eh waar honger wordt geleden en waar de dorst niet kan worden gelest, omdat daar de hemelen zijn als van koper en daar geen druppel regen neer valt.

Die niet te veel gezegd, gemeente, als wij vanmorgen met de boeren samen zijn en als wij roemen in de Here. Die roem waarvan wij gelezen hebben in de 145e psalm, roemen.

Roemen dat hij deze zomer, ondanks de vele regen, het toch weer deed groeien.

En als wij dan, gemeente, dankstond voor gewas en arbeid in wat ruimere zin gaan nemen, eh dan mogen wij daar het werk van ons allebei betrekken. Het gaat om ons aller behoefte, natuurlijke en stoffelijke. Wij denken vandaag aan alle takken van arbeid, aan bedrijf en handel, aan winkelier en aan de bakker, de koopman en de werkgever, de werknemer, de ambtenaar, het onderwijzend personeel, aan moeder, de huisvrouw en aan de jongens en meisjes op de scholen. Wij hebben allen iets te maken met de arbeid.

En, gemeente, eh God moet ons aller werk zegenen. Wil daar ook nog maar iets van terechtkomen.

Wie is er die ook deze afgelopen zomer zijn handen niet heeft moeten ophouden eh bij de Here God, de schepper en onderhouder van hemel en van aarde. Als hij niet zegent, gemeente, dan breekt ons alles bij de handen af. En als hij niet zegent, dan is alles al vruchteloos voordat het in onze gedachten komt om te overdenken en te doordenken.

Nee, voor ieder mag het vanmorgen wel zijn. Het zal verre van mij zijn als ik zou zwijgen.


Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?


Maar het zij verre van mij dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus. Gemeente, misschien denkt u dat ik mij wat vergist heb in de tekstkeuze vanmorgen.

Zij verre van mij dat ik zou roemen.

En zo kunt u toch eigenlijk geen dankdienst voor gewas en arbeid beginnen, gemeente. Het is juist het tegendeel. Het zij verre van mij dat ik niet zou roemen. Het zij verre van mij dat ik zou zwijgen, mijn mond zou houden deze dag.

Want wij zijn vanmorgen bij elkaar gekomen. Wij hebben daarvoor de gelegenheid gekregen en de genegenheid ontvangen om dankstond te houden eh voor het gewas des velds en voor de arbeid onzer handen.

En wij nemen dan, gemeente, de dankstond voor gewas en arbeid in de meest ruimste zin van het woord. Al mogen wij daar deze morgen dan allereerst wel eh mee beginnen om eraan te denken dat God de Here ook in de afgelopen zomer heeft willen geven zaaiing en oogst en dat hij heeft willen geven de vruchten van het veld.

Dus dat wij letterlijk erbij bepaald worden eh bij het gewas.

Zaaiing en oogst en landbouw en veeteelt en veld en vee en akker en stal en uw schuur met alles wat deze bevolkt.

Gewas. Daar moet het allereerst van komen, gemeente, eh bij alle seugoraten eh surrogaten die men fabrieksmatig kan maken. Altijd blijft het nog waar wat Salomo gezegd heeft in zijn wijsheid dat zelfs de koning van het land gediend wordt.

Indien daar niets groeit op het land, als u koeien niet meer kalven en als de kippen geen eieren meer leggen, eh dan kan zelfs de rijkste man ter wereld op de duur niet meer eten. En wie dat niet gelooft, gemeente, eh die moet zijn licht maar eens op gaan steken in landen zoals Ethiopië en

landen eh waar honger wordt geleden en waar de dorst niet kan worden gelest, omdat daar de hemelen zijn als van koper en daar geen druppel regen neer valt.

Die niet te veel gezegd, gemeente, als wij vanmorgen met de boeren samen zijn en als wij roemen in de Here. Die roem waarvan wij gelezen hebben in de 145e psalm, roemen.

Roemen dat hij deze zomer, ondanks de vele regen, het toch weer deed groeien.

En als wij dan, gemeente, dankstond voor gewas en arbeid in wat ruimere zin gaan nemen, eh dan mogen wij daar het werk van ons allebei betrekken. Het gaat om ons aller behoefte, natuurlijke en stoffelijke. Wij denken vandaag aan alle takken van arbeid, aan bedrijf en handel, aan winkelier en aan de bakker, de koopman en de werkgever, de werknemer, de ambtenaar, het onderwijzend personeel, aan moeder, de huisvrouw en aan de jongens en meisjes op de scholen. Wij hebben allen iets te maken met de arbeid.

En, gemeente, eh God moet ons aller werk zegenen. Wil daar ook nog maar iets van terechtkomen.

Wie is er die ook deze afgelopen zomer zijn handen niet heeft moeten ophouden eh bij de Here God, de schepper en onderhouder van hemel en van aarde. Als hij niet zegent, gemeente, dan breekt ons alles bij de handen af. En als hij niet zegent, dan is alles al vruchteloos voordat het in onze gedachten komt om te overdenken en te doordenken.

Nee, voor ieder mag het vanmorgen wel zijn. Het zal verre van mij zijn als ik zou zwijgen.

C. van den Bergh (1923-2011): kand 1959, Polsbroek-hg 1959, Oud-Beijerland-hg 1963, Katwijk aan Zee-hg 1968, Rotterdam-Zuid-hg 1973, Barneveld-hg 1981-88. Bron: dominees.nl.