[38] Zach. 8: 23
Collectie: 2412-noorlandt-tape-150
U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.
Gemeente, onder allerlei, vaak heel verschillende beelden, hebben de profeten van het Oude Testament gesproken over de tijd van de Here Jezus Christus, de Messias en over het heil dat door hem gebracht zou worden. En het zijn vaak zeer sprekende, zeer treffende beelden. Het beeld dat Zacharia de profeet in onze tekstwoorden heeft gebruikt, is in ieder geval een zeer sprekend en treffend beeld. Er is immers sprake van een joodse man, en er staat dat 10 mannen uit de heidenen de slip zullen grijpen van die joodse man en zullen zeggen: “Wij gaan met u, want wij hebben gehoord dat God met u is.” Zacharia is geweest één van de profeten des Heren. Samen met Haggaï profeteerde hij onder het joodse volk, nadat dat volk uit de ballingschap in het land der vaderen was teruggekeerd. Er was toen nog heel wat te doen. Onder het joodse volk, de huizen moesten worden herbouwd, ze waren verwoest en de tempel des Heren moest ook worden herbouwd. Kortom, men stond voor een geweldige taak. En er was veel tegenwerking. De heidenen rondom, die werkten op allerlei manier tegen. Er was onder het joodse volk dan ook nogal eens mismoedigheid. Men zag, om dat woord uit onze tijd te gebruiken, men zag het niet altijd meer zitten. Maar zie dan verhieven de profeten des Heren hun stem. Haggaï en Zacharia, en even later ook Maleachi, en ze beurden het volk op en ze vuurden het aan. Ze bemoedigden en spraken troostvolle woorden, beloften Gods. Gemeente, de Here wil niet dat zijn volk mismoedig is. De Here wil, en dat geldt ook voor de gemeente van vandaag. Dat geldt ook voor ons, dat we onze hoofden oprichten, dat we moed grijpen, dat we niet wankelen en niet wanhopen, maar dat op zijn woord zien. Ook in de adventstijd 1984 is dat zo. Wat heeft nu de Here zijn volk beloofd? Ik beperk mij tot onze tekstwoorden. Zacharia gebruikte in onze tekst in de naam des Heren het beeld van een joodse man. Zeg maar, een Jood, een Judeer. Een naam wordt niet genoemd en daar behoeft ook niet, want die joodse man is in de eerste plaats een type, een vertegenwoordiger van heel het joodse volk. Heel het joodse volk is hier als het ware voorgesteld in die éne joodse man. En wat is er nu met die joodse man? Die joodse man is ver van huis. Juda had nog maar sinds kort de ballingschap achter de rug. En daaraan ontleent nu Zacharia zijn beeld van de joodse man. Hij stelt deze man voor als een balling, ver van huis, ver van het huis des Heren te Jeruzalem. Maar die joodse man gaat op reis. Hij heeft zijn reismantel reeds aangetrokken. Hij staat op het punt van het vertrek. Hij gaat op naar Jeruzalem. Hij gaat op naar de tempel. Hij wil God gaan dienen, de Here gaan zoeken in zijn huis. En andere zien dat. En die andere dat zijn heidenen. Immers de joodse man zit in de ballingschap, te midden van de heidenen en zij, die heidenen zien wat er gaat gebeuren. De joodse man gaat hen verlaten. Hij heeft de reismantel al aan. Hij zal opgaan naar Jeruzalem. 10 mannen uit de heidenen grijpen dan naar die man. Ze willen samen met hem optrekken. En wat doet dan die man, die joodse man? Hij ontglipt hen, maar niet geheel en al, want de slip van zijn mantel weten ze te grijpen en ze houden hem vast en ze zeggen: “Wij gaan ook mee, ook mee naar Jeruzalem, ook mee naar de tempel. Wij laten u niet zomaar gaan. We hebben gehoord dat God met u is. En wij willen daarom met u mee optrekken naar Jeruzalem, naar Sion, de stad Gods om God te zoeken en God te dienen.” Zie hier gemeente, het beeld van onze tekst. Is nu dat woord van God, deze belofte ook vervuld? Jazeker, hij was eigenlijk al vervuld, in zekere zin EjQKMgEMOdbHyH5tQ5GeYEJqyXRBs4Z0MdscGJcqoDsztImqYeRtp85EK/qP0krhT0JhkRnx
Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?
Gemeente, onder allerlei, vaak heel verschillende beelden, hebben de profeten van het Oude Testament gesproken over de tijd van de Here Jezus Christus, de Messias en over het heil dat door hem gebracht zou worden. En het zijn vaak zeer sprekende, zeer treffende beelden. Het beeld dat Zacharia de profeet in onze tekstwoorden heeft gebruikt, is in ieder geval een zeer sprekend en treffend beeld. Er is immers sprake van een joodse man, en er staat dat 10 mannen uit de heidenen de slip zullen grijpen van die joodse man en zullen zeggen: "Wij gaan met u, want wij hebben gehoord dat God met u is." Zacharia is geweest één van de profeten des Heren. Samen met Haggaï profeteerde hij onder het joodse volk, nadat dat volk uit de ballingschap in het land der vaderen was teruggekeerd. Er was toen nog heel wat te doen. Onder het joodse volk, de huizen moesten worden herbouwd, ze waren verwoest en de tempel des Heren moest ook worden herbouwd. Kortom, men stond voor een geweldige taak. En er was veel tegenwerking. De heidenen rondom, die werkten op allerlei manier tegen. Er was onder het joodse volk dan ook nogal eens mismoedigheid. Men zag, om dat woord uit onze tijd te gebruiken, men zag het niet altijd meer zitten. Maar zie dan verhieven de profeten des Heren hun stem. Haggaï en Zacharia, en even later ook Maleachi, en ze beurden het volk op en ze vuurden het aan. Ze bemoedigden en spraken troostvolle woorden, beloften Gods. Gemeente, de Here wil niet dat zijn volk mismoedig is. De Here wil, en dat geldt ook voor de gemeente van vandaag. Dat geldt ook voor ons, dat we onze hoofden oprichten, dat we moed grijpen, dat we niet wankelen en niet wanhopen, maar dat op zijn woord zien. Ook in de adventstijd 1984 is dat zo. Wat heeft nu de Here zijn volk beloofd? Ik beperk mij tot onze tekstwoorden. Zacharia gebruikte in onze tekst in de naam des Heren het beeld van een joodse man. Zeg maar, een Jood, een Judeer. Een naam wordt niet genoemd en daar behoeft ook niet, want die joodse man is in de eerste plaats een type, een vertegenwoordiger van heel het joodse volk. Heel het joodse volk is hier als het ware voorgesteld in die éne joodse man. En wat is er nu met die joodse man? Die joodse man is ver van huis. Juda had nog maar sinds kort de ballingschap achter de rug. En daaraan ontleent nu Zacharia zijn beeld van de joodse man. Hij stelt deze man voor als een balling, ver van huis, ver van het huis des Heren te Jeruzalem. Maar die joodse man gaat op reis. Hij heeft zijn reismantel reeds aangetrokken. Hij staat op het punt van het vertrek. Hij gaat op naar Jeruzalem. Hij gaat op naar de tempel. Hij wil God gaan dienen, de Here gaan zoeken in zijn huis. En andere zien dat. En die andere dat zijn heidenen. Immers de joodse man zit in de ballingschap, te midden van de heidenen en zij, die heidenen zien wat er gaat gebeuren. De joodse man gaat hen verlaten. Hij heeft de reismantel al aan. Hij zal opgaan naar Jeruzalem. 10 mannen uit de heidenen grijpen dan naar die man. Ze willen samen met hem optrekken. En wat doet dan die man, die joodse man? Hij ontglipt hen, maar niet geheel en al, want de slip van zijn mantel weten ze te grijpen en ze houden hem vast en ze zeggen: "Wij gaan ook mee, ook mee naar Jeruzalem, ook mee naar de tempel. Wij laten u niet zomaar gaan. We hebben gehoord dat God met u is. En wij willen daarom met u mee optrekken naar Jeruzalem, naar Sion, de stad Gods om God te zoeken en God te dienen." Zie hier gemeente, het beeld van onze tekst. Is nu dat woord van God, deze belofte ook vervuld? Jazeker, hij was eigenlijk al vervuld, in zekere zin
EjQKMgEMOdbHyH5tQ5GeYEJqyXRBs4Z0MdscGJcqoDsztImqYeRtp85EK/qP0krhT0JhkRnx
