[46] 1Kor. 15: 8-10
Collectie: 2412-noorlandt-tape-150
U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.
Gemeente, jongens en meisjes, het is vandaag de laatste zondag voor Hemelvaartsdag.
En dat betekent dat we in de prediking tot een bepaalde afsluiting komen.
De afsluiting namelijk dat die opgestane Christus zich aan zijn discipelen vertoont.
Want in die tijd tussen Pasen en Hemelvaart is Christus, we hebben dat zojuist met elkaar gelezen, verschillende malen aan de zijnen verschenen.
Daarmee had hij zijn wijze bedoeling.
Zijn waarachtige opstanding uit de doden immers zou één van de grondpilaren zijn, waarop het Evangelie van het volbrachte middelaarswerk zou zijn gebouwd.
Dat feit, dat moet en dat moest voor zijn kerk onwrikbaar vaststaan.
Want het was de Here genoegzaam bekend dat de kerk straks bij zijn intocht door de wereld, al spoedig zou stuiten op dat op dat keiharde ongeloof, in allerlei vormen.
Maar hij wist ook dat de zijnen, dat zijn gemeente, als dat zou gebeuren, het zou moeten belijden, de opstanding van Christus uit de dood.
Dat is echt waar, daar hoef je niet over te praten, dat geloven wij.
En dat, vooral dat, zou verzet wekken.
Daartegen, tegen dat naar het verstand onmogelijke, maar daartegen zou het verzet in alle hevigheid losbranden.
En die opstanding die zou ook bestreden worden.
Welnu, vele malen is de Here Jezus daarom aan die kleine kring van discipelen verschenen.
Verschenen, opdat het voor hen, dat wonder zou vaststaan.
Zij zouden immers straks, als het zout der aarde, de wereld in moeten gaan.
En hun getuigenis zou moeten schijnen als een helder licht in de donkerheid van de wereld.
Maar als dan die opstanding voor de stoot – zo mag ik die kleine kring wel even noemen – voor de stoottroepen zou vaststaan, voldoende vaststaan, dan houden die verschijningen op.
Immers, de rechtvaardige zal door het geloof leven, niet door de aanschouwing, door het geloof.
Thomas, die had dat even op zijn brood gekregen van de Here Jezus.
Weet u nog wel?
Thomas, die zag hem, die had gezegd eh: “Mijn vinger in de wond in zijn hand, en mijn hand in zijn zij, in die in dat litteken. En als ik dat niet kan, dan zal ik het echt niet geloven.”
Nou, toen kwam Jezus, toen zei hij: “Kom maar hier Thomas.”
En toen zei Thomas: “Mijn Here en mijn God.” “Ja”, zegt de Here Jezus, “omdat je het gezien hebt, Thomas, getast hebt, kunnen tasten met je handen, daarom heb je geloofd.”
Maar, dit zeg ik even tegen jou, maar tegen alle mensen die na jou komen, zalig zijn zij die niet gezien en toch zullen geloofd hebben.
Onder dat woord en onder die belofte, zitten wij vanmorgen in de kerk in Benthuizen.
En gemeente, die opstanding
Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?
Gemeente, jongens en meisjes, het is vandaag de laatste zondag voor Hemelvaartsdag.
En dat betekent dat we in de prediking tot een bepaalde afsluiting komen.
De afsluiting namelijk dat die opgestane Christus zich aan zijn discipelen vertoont.
Want in die tijd tussen Pasen en Hemelvaart is Christus, we hebben dat zojuist met elkaar gelezen, verschillende malen aan de zijnen verschenen.
Daarmee had hij zijn wijze bedoeling.
Zijn waarachtige opstanding uit de doden immers zou één van de grondpilaren zijn, waarop het Evangelie van het volbrachte middelaarswerk zou zijn gebouwd.
Dat feit, dat moet en dat moest voor zijn kerk onwrikbaar vaststaan.
Want het was de Here genoegzaam bekend dat de kerk straks bij zijn intocht door de wereld, al spoedig zou stuiten op dat op dat keiharde ongeloof, in allerlei vormen.
Maar hij wist ook dat de zijnen, dat zijn gemeente, als dat zou gebeuren, het zou moeten belijden, de opstanding van Christus uit de dood.
Dat is echt waar, daar hoef je niet over te praten, dat geloven wij.
En dat, vooral dat, zou verzet wekken.
Daartegen, tegen dat naar het verstand onmogelijke, maar daartegen zou het verzet in alle hevigheid losbranden.
En die opstanding die zou ook bestreden worden.
Welnu, vele malen is de Here Jezus daarom aan die kleine kring van discipelen verschenen.
Verschenen, opdat het voor hen, dat wonder zou vaststaan.
Zij zouden immers straks, als het zout der aarde, de wereld in moeten gaan.
En hun getuigenis zou moeten schijnen als een helder licht in de donkerheid van de wereld.
Maar als dan die opstanding voor de stoot – zo mag ik die kleine kring wel even noemen – voor de stoottroepen zou vaststaan, voldoende vaststaan, dan houden die verschijningen op.
Immers, de rechtvaardige zal door het geloof leven, niet door de aanschouwing, door het geloof.
Thomas, die had dat even op zijn brood gekregen van de Here Jezus.
Weet u nog wel?
Thomas, die zag hem, die had gezegd eh: "Mijn vinger in de wond in zijn hand, en mijn hand in zijn zij, in die in dat litteken. En als ik dat niet kan, dan zal ik het echt niet geloven."
Nou, toen kwam Jezus, toen zei hij: "Kom maar hier Thomas."
En toen zei Thomas: "Mijn Here en mijn God." "Ja", zegt de Here Jezus, "omdat je het gezien hebt, Thomas, getast hebt, kunnen tasten met je handen, daarom heb je geloofd."
Maar, dit zeg ik even tegen jou, maar tegen alle mensen die na jou komen, zalig zijn zij die niet gezien en toch zullen geloofd hebben.
Onder dat woord en onder die belofte, zitten wij vanmorgen in de kerk in Benthuizen.
En gemeente, die opstanding
