[40] Mat. 28: 8, 9

pasen
Voorganger

Bergh, C. van den

Datum preek

3 april 1988

U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.

Gemeente, wij willen ook vanmiddag zomaar wat kanttekeningen maken bij de eenvoudige geschiedenis van het passen van de opstanding van Christus Jezus. En daarna. En dan bemerken wij als wij zo deze geschiedenis weer opnieuw gelezen hebben dat daar bij voorbeeld van het feit van de opstanding van Christus niemand getuige geweest is.

En daarom wordt deze opstandingsgeschiedenis niet minder geloofwaardig. Maar het is toch wel goed dat wij daar op wijzen. Eh dat de opstanding van Jezus bijzonder geweest is, een daad van God de Vader zelve en van de Here Jezus Christus in het verborgene van het graf.

Als wij dat vergelijken met andere heilsfeiten, dan bemerken wij dat, bijvoorbeeld, bij de geboorte van de Here Jezus er in ieder geval Jozef en Maria getuigen van geweest zijn.

Hoewel zij daar zelf niet van hebben gesproken en over hebben gesproken. Zijn Maria en Jozef dan toch wel mensen geweest eh die gezien hebben dat de Here Jezus Christus geboren is in de stal van Bethlehem. Bij zijn sterven is er een grote menigte eh die rondom zijn kruis rondom zijn sterfbed heeft gestaan.

En waar velen getuigen van zijn geweest en zijn laatste woorden zijn opgeschreven eh door de meesten van de evangelisten. We lezen ook dat daar de kerk getuige van geweest is. We lezen in het eh in Lucas-evangelie eh dat zelfs zijn bekenden stonden bij het kruis. Zij stonden van verre. En na zijn sterven zijn zij naderbij gekomen.

Zij hebben gezien hoe hun Heiland Jezus werd begraven, in het graf werd gelegd. Straks bij het laatste, één na laatste heilsfeit, eh dan zullen zij op de Olijfberg staan en dan zullen zij zien eh dat de Here Jezus Christus wordt opgenomen van voor hun ogen.

Maar van zijn opstanding is niemand ooggetuige geweest. Wanneer de engel neerdaalt in bij het graf en de steen afwentelt van het graf, dan is dat graf leets leeg.

Zo min enige natuur werd eh Christus op aarde kon tegenhouden om geboren te worden uit de maagd Maria als de Zoon van God. Evenmin kon er enige natuurwet zijn eh die de verzegelde steen op het graf kon houden en hem in de dood kon houden.

En dat gemeente, dat is het wonder, waarvan niemand getuigen was, ooggetuige was. Maar waar bij al bleek waarmee het evangelie van Mattheüs eindigt, mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Alleen het opmerkelijke is wel dat direct nadat daar eh de opstanding van Christus bekendgemaakt is, dat dat een feit geworden is, eh dat en engelen en mensen geroepen worden te getuigen van zijn opstanding.

Zij worden boodschappers van het heil. Zij worden geen ooggetuigen, maar zij worden mondgetuigen, waar de Bijbel zo vaak over spreekt. Waar straks de Here Jezus ook van zal spreken als hij staat op de Olijfberg en zal zeggen tot zijn discipelen, gij zult mijn getuigen zijn zowel te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria tot aan het uiterste der aarde.

Dat getuigen, dat mondgetuigen zijn en welke hij ook opdracht geeft tot welke hij ook opdracht geeft zoals wij hebben gelezen in het einde van het evangelie van Mattheüs, ga dan heen onderwijs alle volken en dopende in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Eh dus niet dopen in de naam van een dode Jezus, maar in de naam van een levende Heiland.


Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?


Gemeente, wij willen ook vanmiddag zomaar wat kanttekeningen maken bij de eenvoudige geschiedenis van het passen van de opstanding van Christus Jezus. En daarna. En dan bemerken wij als wij zo deze geschiedenis weer opnieuw gelezen hebben dat daar bij voorbeeld van het feit van de opstanding van Christus niemand getuige geweest is.

En daarom wordt deze opstandingsgeschiedenis niet minder geloofwaardig. Maar het is toch wel goed dat wij daar op wijzen. Eh dat de opstanding van Jezus bijzonder geweest is, een daad van God de Vader zelve en van de Here Jezus Christus in het verborgene van het graf.

Als wij dat vergelijken met andere heilsfeiten, dan bemerken wij dat, bijvoorbeeld, bij de geboorte van de Here Jezus er in ieder geval Jozef en Maria getuigen van geweest zijn.

Hoewel zij daar zelf niet van hebben gesproken en over hebben gesproken. Zijn Maria en Jozef dan toch wel mensen geweest eh die gezien hebben dat de Here Jezus Christus geboren is in de stal van Bethlehem. Bij zijn sterven is er een grote menigte eh die rondom zijn kruis rondom zijn sterfbed heeft gestaan.

En waar velen getuigen van zijn geweest en zijn laatste woorden zijn opgeschreven eh door de meesten van de evangelisten. We lezen ook dat daar de kerk getuige van geweest is. We lezen in het eh in Lucas-evangelie eh dat zelfs zijn bekenden stonden bij het kruis. Zij stonden van verre. En na zijn sterven zijn zij naderbij gekomen.

Zij hebben gezien hoe hun Heiland Jezus werd begraven, in het graf werd gelegd. Straks bij het laatste, één na laatste heilsfeit, eh dan zullen zij op de Olijfberg staan en dan zullen zij zien eh dat de Here Jezus Christus wordt opgenomen van voor hun ogen.

Maar van zijn opstanding is niemand ooggetuige geweest. Wanneer de engel neerdaalt in bij het graf en de steen afwentelt van het graf, dan is dat graf leets leeg.

Zo min enige natuur werd eh Christus op aarde kon tegenhouden om geboren te worden uit de maagd Maria als de Zoon van God. Evenmin kon er enige natuurwet zijn eh die de verzegelde steen op het graf kon houden en hem in de dood kon houden.

En dat gemeente, dat is het wonder, waarvan niemand getuigen was, ooggetuige was. Maar waar bij al bleek waarmee het evangelie van Mattheüs eindigt, mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Alleen het opmerkelijke is wel dat direct nadat daar eh de opstanding van Christus bekendgemaakt is, dat dat een feit geworden is, eh dat en engelen en mensen geroepen worden te getuigen van zijn opstanding.

Zij worden boodschappers van het heil. Zij worden geen ooggetuigen, maar zij worden mondgetuigen, waar de Bijbel zo vaak over spreekt. Waar straks de Here Jezus ook van zal spreken als hij staat op de Olijfberg en zal zeggen tot zijn discipelen, gij zult mijn getuigen zijn zowel te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria tot aan het uiterste der aarde.

Dat getuigen, dat mondgetuigen zijn en welke hij ook opdracht geeft tot welke hij ook opdracht geeft zoals wij hebben gelezen in het einde van het evangelie van Mattheüs, ga dan heen onderwijs alle volken en dopende in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Eh dus niet dopen in de naam van een dode Jezus, maar in de naam van een levende Heiland.

C. van den Bergh (1923-2011): kand 1959, Polsbroek-hg 1959, Oud-Beijerland-hg 1963, Katwijk aan Zee-hg 1968, Rotterdam-Zuid-hg 1973, Barneveld-hg 1981-88. Bron: dominees.nl.