[09] 1Sam. 4: 3-5
Collectie: 2412-noorlandt-tape-150
U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.
Gemeente, de 40-jarige verdrukking door de Filistijnen, in welke periode Simson optrad, is waarschijnlijk dezelfde periode geweest als waarin Eli, in de avond van zijn leven, van Israëls nederlagen hoorde bij de tabernakel in Silo, en waarin Samuel werd toebereid tot zijn roeping als profeet en rechter. Simson is dan waarschijnlijk een iets oudere tijdgenoot geweest van Samuel en gelijktijdig rechter geweest met Eli. De Filistijnen probeerden altijd maar weer opnieuw het westelijk Jordaanland onder controle te krijgen. Dat was hun doel. Maar in werkelijkheid was dat voor de Filistijnen een roede in Gods hand om Israël te tuchtigen. Nu schijnt het dat Israël door de grote slag, die de stervende Simson de Filistijnen heeft toegebracht, moed gevat heeft om het gehate juk der Filistijnen af te werpen. Direct echter trekt ons hier het verschil met de uitwerking van vorige onderdrukkingen. Daarvan lezen wij bijvoorbeeld, in Richteren 10 vers 10: “Toen riepen de kinderen Israëls tot de Here, zeggende: wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onze God verlaten hebben, als dat wij de Baäls gediend hebben.” Wanneer de Here hen dan schijnt af te wijzen, dan herhalen zij: “Wij hebben gezondigd, doe Gij ons naar alles wat goed is in Uwe ogen, alleenig verlos ons toch te dezen dagen.” En ze deden de vreemde goden uit de midden weg en dienden de Here. Maar hier, in ons teksthoofdstuk, lezen wij niets van schuldbelijdenis. Israël begint zomaar de strijd, en het wordt dan ook zomaar verslagen met een verlies van 4000 man. Toch is het leger nog niet verstrooid, en de oudste van Israël stellen een onderzoek in naar de oorzaak van de nederlaag. Wat doen ze? Vragen ze de Here? Oh nee. Zijn ze dan de Here vergeten? Nee, ook niet. Want zijn naam wordt hier door hen genoemd. Zullen ze dan bij de afgoden zoeken? Ook niet. Maar wat dan? Gemeente, we hebben hier te doen met een verschijnsel dat zich meer dan eens herhaald heeft, al de eeuwen door, een verschijnsel dat hoog gevaarlijk is voor Gods volk. Wij willen in deze voorbereidingsdienst nader bezien deze dingen, door u te wijzen op dwaasheid bij het sacrament. En dan gaan we onze tekst na. En dan zien we hoe die dwaasheid leidt tot een afgodisch verlangen, tot een zondig gebruiken, tot een rechtvaardig verbeuren. Allereerst letten we hier op een afgodisch verlangen. Israël had dus een nederlaag geleden, 4000 man waren gesneuveld. Hoe kon dat nu? Waaraan was die nederlaag te wijten? En Israël was dit keer nog wel de aanvaller geweest. Waren die Filistijnen dan zo overmachtig? Nee, daar behoefde de oorzaak toch niet te zijn. Israël had ten aanzien van zijn vijanden, immers EjQKMgEMOdbHeYS71HRlSZSz+POiqsgstKfSRfiaZZfLKuB3zwwmHRToXTcCmJ4QBXgHm8PD
Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?
Gemeente, de 40-jarige verdrukking door de Filistijnen, in welke periode Simson optrad, is waarschijnlijk dezelfde periode geweest als waarin Eli, in de avond van zijn leven, van Israëls nederlagen hoorde bij de tabernakel in Silo, en waarin Samuel werd toebereid tot zijn roeping als profeet en rechter. Simson is dan waarschijnlijk een iets oudere tijdgenoot geweest van Samuel en gelijktijdig rechter geweest met Eli. De Filistijnen probeerden altijd maar weer opnieuw het westelijk Jordaanland onder controle te krijgen. Dat was hun doel. Maar in werkelijkheid was dat voor de Filistijnen een roede in Gods hand om Israël te tuchtigen. Nu schijnt het dat Israël door de grote slag, die de stervende Simson de Filistijnen heeft toegebracht, moed gevat heeft om het gehate juk der Filistijnen af te werpen. Direct echter trekt ons hier het verschil met de uitwerking van vorige onderdrukkingen. Daarvan lezen wij bijvoorbeeld, in Richteren 10 vers 10: "Toen riepen de kinderen Israëls tot de Here, zeggende: wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onze God verlaten hebben, als dat wij de Baäls gediend hebben." Wanneer de Here hen dan schijnt af te wijzen, dan herhalen zij: "Wij hebben gezondigd, doe Gij ons naar alles wat goed is in Uwe ogen, alleenig verlos ons toch te dezen dagen." En ze deden de vreemde goden uit de midden weg en dienden de Here. Maar hier, in ons teksthoofdstuk, lezen wij niets van schuldbelijdenis. Israël begint zomaar de strijd, en het wordt dan ook zomaar verslagen met een verlies van 4000 man. Toch is het leger nog niet verstrooid, en de oudste van Israël stellen een onderzoek in naar de oorzaak van de nederlaag. Wat doen ze? Vragen ze de Here? Oh nee. Zijn ze dan de Here vergeten? Nee, ook niet. Want zijn naam wordt hier door hen genoemd. Zullen ze dan bij de afgoden zoeken? Ook niet. Maar wat dan? Gemeente, we hebben hier te doen met een verschijnsel dat zich meer dan eens herhaald heeft, al de eeuwen door, een verschijnsel dat hoog gevaarlijk is voor Gods volk. Wij willen in deze voorbereidingsdienst nader bezien deze dingen, door u te wijzen op dwaasheid bij het sacrament. En dan gaan we onze tekst na. En dan zien we hoe die dwaasheid leidt tot een afgodisch verlangen, tot een zondig gebruiken, tot een rechtvaardig verbeuren. Allereerst letten we hier op een afgodisch verlangen. Israël had dus een nederlaag geleden, 4000 man waren gesneuveld. Hoe kon dat nu? Waaraan was die nederlaag te wijten? En Israël was dit keer nog wel de aanvaller geweest. Waren die Filistijnen dan zo overmachtig? Nee, daar behoefde de oorzaak toch niet te zijn. Israël had ten aanzien van zijn vijanden, immers
EjQKMgEMOdbHeYS71HRlSZSz+POiqsgstKfSRfiaZZfLKuB3zwwmHRToXTcCmJ4QBXgHm8PD
