[26] Ezech. 20: 35-40
Collectie: 2412-noorlandt-tape-150
U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.
Gemeente, we hebben daar net van de apostel Petrus gehoord, dat hij zei, dat we het profetisch woord hebben. Dat zeer vast is. En en ook zei Petrus dit: “We zijn geen kunstig verdichte fabels nagevolgd, toen wij u bekend hebben gemaakt, de kracht en de toekomst van onze Here Jezus Christus. Wij verwachten naar zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. En daar op die nieuwe aarde, daar zullen alle mensen goed zijn. En daar zullen alle mensen heiligen zijn. En rein.” “En dat zijn geen kunstig verdichte fabels”, zegt Petrus. Nee. Met andere woorden, dat dat zal dat zal zeker gebeuren en dat zal zeker komen. Hij hij zal zijn woord volbrengen. Maar het is wel een beproeving van het geloof, dat we er nog zo weinig van zien. Het is niet alleen dit, dat het grootste gedeelte van de mensen, het geloof in in de Christus weigert. Maar het is ook dit, dat dat er bij die mensen, die die wel in de Here Jezus gaan geloven, dat er bij die mensen meestal nog zo weinig te merken is van echt nieuw leven en van een nieuwe gehoorzaamheid, van een leven van van liefde tot God en van liefde tot de naaste. O, dat weten alle ware gelovigen, die weten dat van zichzelf en bij zichzelf vandaan, maar al te goed. En daar klagen ze over. Dat dat ze nog zo weinig hebben van van dat nieuwe leven, van dat leven helemaal voor voor Hem. En naar zijn wil. Ja, dat is dat is een beproeving voor het geloof, dat er nog zo weinig van te zien is, van van van dat koninkrijk, dat dat komt en dat beloofd is. En en die beproeving die kan soms leiden tot twijfeling. Zodat Gods kinderen vragen: “Waar is de belofte, waar blijft de belofte van zijn toekomst? Zal er nog wel wat van terecht komen, van die toekomst van onze Here Jezus? Of zijn het tóch maar fabels, kunstig verdicht en verzonnen?” Wanneer wij misschien ook met deze vraag zitten, o, dan wijst de apostel ons naar het profetisch woord, dat zeer vast is. En wat zegt dat profetische woord ons? Dat zegt, dat God het zal doen. Om zijns naams wil. Want God wil niet dat de mensen zullen kunnen zeggen: “Die God, die wou zijn volk wel genezen, maar hij kon het niet. Het werd hem te machtig. Het groeide hem boven het hoofd.” Ter verduidelijking, een voorbeeld. Ik denk aan een zakenman die een een een nieuwe zaak begint ergens. Maar de zaak wil maar niet op gang komen. Van alles heeft hij al geprobeerd, maar nee, God komt er toch maar niet in. Wat wat zal die zakenman nou doen als die een echte zakenman is? De zaak maar opheffen? “Nee”, zegt hij en denkt hij bij zichzelf, “mijn eer als zakenman die is ermee gemoeid en en hij houdt vol en hij zet door en en dan slaagt hij in de meeste gevallen.” En en zo behoudt hij zijn naam. Kijk, gemeente, het mensdom, de mensheid, we zouden kunnen zeggen, dat is ook een zaak die maar niet op gang wil komen. Maar God van de hemel, hij geeft het niet op. En waarom niet? Wel, vanwege zijn naam, want zijn naam die is ermee gemoeid. Het is de hoge God niet onverschillig wat voor
Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?
Gemeente, we hebben daar net van de apostel Petrus gehoord, dat hij zei, dat we het profetisch woord hebben. Dat zeer vast is. En en ook zei Petrus dit: "We zijn geen kunstig verdichte fabels nagevolgd, toen wij u bekend hebben gemaakt, de kracht en de toekomst van onze Here Jezus Christus. Wij verwachten naar zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. En daar op die nieuwe aarde, daar zullen alle mensen goed zijn. En daar zullen alle mensen heiligen zijn. En rein." "En dat zijn geen kunstig verdichte fabels", zegt Petrus. Nee. Met andere woorden, dat dat zal dat zal zeker gebeuren en dat zal zeker komen. Hij hij zal zijn woord volbrengen. Maar het is wel een beproeving van het geloof, dat we er nog zo weinig van zien. Het is niet alleen dit, dat het grootste gedeelte van de mensen, het geloof in in de Christus weigert. Maar het is ook dit, dat dat er bij die mensen, die die wel in de Here Jezus gaan geloven, dat er bij die mensen meestal nog zo weinig te merken is van echt nieuw leven en van een nieuwe gehoorzaamheid, van een leven van van liefde tot God en van liefde tot de naaste. O, dat weten alle ware gelovigen, die weten dat van zichzelf en bij zichzelf vandaan, maar al te goed. En daar klagen ze over. Dat dat ze nog zo weinig hebben van van dat nieuwe leven, van dat leven helemaal voor voor Hem. En naar zijn wil. Ja, dat is dat is een beproeving voor het geloof, dat er nog zo weinig van te zien is, van van van dat koninkrijk, dat dat komt en dat beloofd is. En en die beproeving die kan soms leiden tot twijfeling. Zodat Gods kinderen vragen: "Waar is de belofte, waar blijft de belofte van zijn toekomst? Zal er nog wel wat van terecht komen, van die toekomst van onze Here Jezus? Of zijn het tóch maar fabels, kunstig verdicht en verzonnen?" Wanneer wij misschien ook met deze vraag zitten, o, dan wijst de apostel ons naar het profetisch woord, dat zeer vast is. En wat zegt dat profetische woord ons? Dat zegt, dat God het zal doen. Om zijns naams wil. Want God wil niet dat de mensen zullen kunnen zeggen: "Die God, die wou zijn volk wel genezen, maar hij kon het niet. Het werd hem te machtig. Het groeide hem boven het hoofd." Ter verduidelijking, een voorbeeld. Ik denk aan een zakenman die een een een nieuwe zaak begint ergens. Maar de zaak wil maar niet op gang komen. Van alles heeft hij al geprobeerd, maar nee, God komt er toch maar niet in. Wat wat zal die zakenman nou doen als die een echte zakenman is? De zaak maar opheffen? "Nee", zegt hij en denkt hij bij zichzelf, "mijn eer als zakenman die is ermee gemoeid en en hij houdt vol en hij zet door en en dan slaagt hij in de meeste gevallen." En en zo behoudt hij zijn naam. Kijk, gemeente, het mensdom, de mensheid, we zouden kunnen zeggen, dat is ook een zaak die maar niet op gang wil komen. Maar God van de hemel, hij geeft het niet op. En waarom niet? Wel, vanwege zijn naam, want zijn naam die is ermee gemoeid. Het is de hoge God niet onverschillig wat voor
