[22] Hoogl. 5: 16

Voorganger

Vlietstra, A.

U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.

Gemeente, u weet dat het Hooglied van Salomo het lied der liederen, een bruiloftslied is, waarin de hemelse bruidegom Christus zijn bruid, de kerk en de bruid of de kerk haar bruidegom, Christus, bezingt. Het hele Hooglied door gaat het over die onderlinge verhouding tussen Christus en zijn kerk. Maar nu wordt ons hier in het vijfde hoofdstuk een keerpunt getekend in die onderlinge verhouding, die toch een verhouding van liefde was. Juist door Christus, had de bruid immers geleerd, wat nu eigenlijk liefde was. Hij had zichzelf voor haar weggeschonken en hij had alles voor haar, het voorwerp van zijn liefde, overgehad. Immers, hij heeft zijn leven gezet voor zijn schapen, reeds voor de grondlegging der wereld, toonde hij zijn liefde jegens zijn nog ongeschapen bruid, toen hij in de raad des vredes op zich nam om de gestalte is van een dienstknecht aan te nemen en zich over te geven in de dood, om zijn bruid die daarin zou vallen van de eeuwige dood te bevrijden. Is deze liefde dan niet het grootste wonder in hemel en op aarde? Welnu, de bruid in het Hooglied was deze liefde verklaard, en als vrucht daarvan mocht ook zij haar bruidegom hartelijk liefhebben. Ja, mocht ze uitroepen, al gave iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enen male verachten. Doch in ons teksthoofdstuk worden we erbij bepaald dat de bruid haar bruidegom ontrouw geworden was, dat ze haar liefdekracht aan anderen had verspeeld, waardoor ze geestelijk te moe geworden was om ’s nachts de deur voor hem te openen, en ze zich moet schamen als geestelijk overspeelster om hem binnen te laten. Daar stond de bruidegom kloppend aan haar deur, zijn hoofd vervuld met dauw, zijn haarlokken met nachtdruppels. Zij hoorde het met een bevend hart aan. Maar ze was te traag om op te staan en wachtte net zo lang totdat de bruidegom zijn hand van de deur terugtrok en doorging terwijl hij haar zoekend en roepend achterliet. En dan maakt de bruid een moeilijke gang door, van spot en smaad. Zo dappen haar zelfs vroeg of haar liefste die ze zocht, dan zoveel uitnemender was dan een andere liefste. Maar nu wordt dit juist aanleiding voor haar om de uitnemendheid van haar bruidegom boven anderen uit te roepen. En in een buitengewone welsprekendheid beschrijft de bruid dan, in een schitterende beenspraak, hoe schoon en verheven, hoe heerlijk en begeerlijk haar bruidegom wel is. Hoor het haar uitroepen: mijn liefste is blank en rood, hij draagt de banier boven tienduizend, zijn hoofd is van het fijnste goud, zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf, zijn ogen zijn als die der duiven bij de waterstromen met melk ge EjQKMgEMOdbH/fpI3sJ2hK8Y4mrY61of8IHKoGyorW6iReVvuDkaCUTA2VQ5M/5Jnc0b5ute


Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?


Gemeente, u weet dat het Hooglied van Salomo het lied der liederen, een bruiloftslied is, waarin de hemelse bruidegom Christus zijn bruid, de kerk en de bruid of de kerk haar bruidegom, Christus, bezingt. Het hele Hooglied door gaat het over die onderlinge verhouding tussen Christus en zijn kerk. Maar nu wordt ons hier in het vijfde hoofdstuk een keerpunt getekend in die onderlinge verhouding, die toch een verhouding van liefde was. Juist door Christus, had de bruid immers geleerd, wat nu eigenlijk liefde was. Hij had zichzelf voor haar weggeschonken en hij had alles voor haar, het voorwerp van zijn liefde, overgehad. Immers, hij heeft zijn leven gezet voor zijn schapen, reeds voor de grondlegging der wereld, toonde hij zijn liefde jegens zijn nog ongeschapen bruid, toen hij in de raad des vredes op zich nam om de gestalte is van een dienstknecht aan te nemen en zich over te geven in de dood, om zijn bruid die daarin zou vallen van de eeuwige dood te bevrijden. Is deze liefde dan niet het grootste wonder in hemel en op aarde? Welnu, de bruid in het Hooglied was deze liefde verklaard, en als vrucht daarvan mocht ook zij haar bruidegom hartelijk liefhebben. Ja, mocht ze uitroepen, al gave iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enen male verachten. Doch in ons teksthoofdstuk worden we erbij bepaald dat de bruid haar bruidegom ontrouw geworden was, dat ze haar liefdekracht aan anderen had verspeeld, waardoor ze geestelijk te moe geworden was om 's nachts de deur voor hem te openen, en ze zich moet schamen als geestelijk overspeelster om hem binnen te laten. Daar stond de bruidegom kloppend aan haar deur, zijn hoofd vervuld met dauw, zijn haarlokken met nachtdruppels. Zij hoorde het met een bevend hart aan. Maar ze was te traag om op te staan en wachtte net zo lang totdat de bruidegom zijn hand van de deur terugtrok en doorging terwijl hij haar zoekend en roepend achterliet. En dan maakt de bruid een moeilijke gang door, van spot en smaad. Zo dappen haar zelfs vroeg of haar liefste die ze zocht, dan zoveel uitnemender was dan een andere liefste. Maar nu wordt dit juist aanleiding voor haar om de uitnemendheid van haar bruidegom boven anderen uit te roepen. En in een buitengewone welsprekendheid beschrijft de bruid dan, in een schitterende beenspraak, hoe schoon en verheven, hoe heerlijk en begeerlijk haar bruidegom wel is. Hoor het haar uitroepen: mijn liefste is blank en rood, hij draagt de banier boven tienduizend, zijn hoofd is van het fijnste goud, zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf, zijn ogen zijn als die der duiven bij de waterstromen met melk ge
EjQKMgEMOdbH/fpI3sJ2hK8Y4mrY61of8IHKoGyorW6iReVvuDkaCUTA2VQ5M/5Jnc0b5ute

A. Vlietstra (1932-2000): studie Kampen/Apeldoorn/Utrecht, kand. 1965, Waarder-hg 1965, Doornspijk-hg 1969-85, hulppred. Voorburg 1985, Voorburg (b.w.) 1988-97. Bron: dominees.nl.