[02] Ex. 17: 11
Collectie: 2412-noorlandt-tape-150
U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.
Gemeente, de Bijbel heeft soms maar weinig woorden nodig om een bepaalde situatie te tekenen. Dat merken we ook in Exodus 17. Het staat er zo maar met een enkel woord in vers 8: “Toen kwam Amalek.” Maar wat zal dat een schrik geweest zijn voor het volk Israël, en wat een teleurstelling. Want de Heere had het toch beloofd: “Ikzelf zal voor u strijden en gij zult stille zijn.” En zo was het ook steeds gegaan. De Heere zelf had met een krachtige hand zijn volk uit Egypte geleid. Daar had niemand voor hoeven te vechten. En de Heere had hen zelf door de Rode Zee geleid, terwijl Farao met zijn leger was verdronken. En ook toen de reis verder ging de woestijn in, ook toen hadden ze de hulp van God mogen ervaren. Bij Mara was het bittere water zoet geworden en bij Massa en Meriba had de Heere water uit de rotssteen gebracht. En zo konden ze voort, telkens met nieuwe kracht. En nu ging de reis door de woestijn Rafidim in de richting van de Sinaï. Maar toen was het op een late middag gebeurd. Toen kwam Amalek. Juist op het moment dat velen al vermoeid waren van de lange tocht. U weet hoe dat gaat in zo’n karavaan. De sterksten lopen voorop en de zwakkere volgen en ze komen op de duur wat achteraan. En juist daar doet Amalek zijn aanval. We lezen dat in Deuteronomium 25: “Amalek sloeg in de staart van het leger al de zwakken achter u, toen gij moede en mat waart.” Het was een soort roofoverval. De Amalekieten kwamen plotseling tevoorschijn, vielen de achterhoede aan en trokken zich toen weer snel terug. U vraagt misschien waar die Amalekieten zo ineens vandaan kwamen. Wel, gemeente, dat was één van de nomadenvolken die door de woestijn rondzwierf. Met hun kudde trokken ze van de ene oase naar de andere. En dan kunt u wel begrijpen dat die Amalekieten helemaal niet blij waren met de tocht van Israël door de woestijn. Want telkens weer zou Israël bij hun bronnen en fonteinen komen en ze zouden het water opdrinken. En het vee van de Israëlieten zou de schaarse stukjes groen kaal vreten. En daarom: Amalek voelt zich bedreigd in zijn levensruimte en daarom willen ze deze indringer verjagen. En toch, gemeente, zit er nog meer achter. De Amalekieten waren immers afstammelingen van Ezau. Amalek, de stamvader van dit volk, was de kleinzoon van Ezau. En dan zien we hier weer die zwarte draad, die zwarte draad van de broederhaat tussen Jakob en Ezau. Een zwarte draad die door heel de geschiedenis heen loopt. Denkt u maar aan de tijd van koning Saul en denkt u aan de strijd van Esther tegen Haman, de Amalekiet. Totdat het zijn climax bereikt in het Nieuwe Testament. Koning Herodes, ook een afstammeling van Ezau, probeert om de grote zoon van Jakob, Jezus Christus, te doden. Amalek en Israël, Ezau en Jakob. Hier in de woestijn, twee broedervolken tegenover elkaar. Of moet ik het nog anders zeggen? Het volk van God, bedreigd door de machten van de satan. Want in die eeuwenlange broederhaat tussen Jakob en Ezau zien we de strijd tussen de duisternis en het licht, tussen God en de satan. En gemeente, dat is een strijd die voortduurt tot op vandaag. En daarom wat ligt er veel in die enkele woorden: “Toen kwam Amalek.” Wat een schrik, wat een teleurstelling voor Israël. Ze hadden misschien gedacht om rustig door de woestijn te kunnen trekken. De strijd was nu voorbij. En nu gaat het zo anders. In Egypte had de Heere voor hen gestreden en bij de Rode Zee eveneens. Maar nu worden ze zelf in de strijd gezonden. En gemeente, zo doet de Heere dat ook vandaag nog in het leven van zijn kinderen. Als u terugkijkt in uw leven, mag u misschien ook weten van uitreddingen door de nood van EjQKMgEMOdbH8lCzxdsBUoC+xtxBS9hrJPBa2T4sCHGglguIN5tLe25jBW8lPoWew+LCzEx3
Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?
Gemeente, de Bijbel heeft soms maar weinig woorden nodig om een bepaalde situatie te tekenen. Dat merken we ook in Exodus 17. Het staat er zo maar met een enkel woord in vers 8: "Toen kwam Amalek." Maar wat zal dat een schrik geweest zijn voor het volk Israël, en wat een teleurstelling. Want de Heere had het toch beloofd: "Ikzelf zal voor u strijden en gij zult stille zijn." En zo was het ook steeds gegaan. De Heere zelf had met een krachtige hand zijn volk uit Egypte geleid. Daar had niemand voor hoeven te vechten. En de Heere had hen zelf door de Rode Zee geleid, terwijl Farao met zijn leger was verdronken. En ook toen de reis verder ging de woestijn in, ook toen hadden ze de hulp van God mogen ervaren. Bij Mara was het bittere water zoet geworden en bij Massa en Meriba had de Heere water uit de rotssteen gebracht. En zo konden ze voort, telkens met nieuwe kracht. En nu ging de reis door de woestijn Rafidim in de richting van de Sinaï. Maar toen was het op een late middag gebeurd. Toen kwam Amalek. Juist op het moment dat velen al vermoeid waren van de lange tocht. U weet hoe dat gaat in zo'n karavaan. De sterksten lopen voorop en de zwakkere volgen en ze komen op de duur wat achteraan. En juist daar doet Amalek zijn aanval. We lezen dat in Deuteronomium 25: "Amalek sloeg in de staart van het leger al de zwakken achter u, toen gij moede en mat waart." Het was een soort roofoverval. De Amalekieten kwamen plotseling tevoorschijn, vielen de achterhoede aan en trokken zich toen weer snel terug. U vraagt misschien waar die Amalekieten zo ineens vandaan kwamen. Wel, gemeente, dat was één van de nomadenvolken die door de woestijn rondzwierf. Met hun kudde trokken ze van de ene oase naar de andere. En dan kunt u wel begrijpen dat die Amalekieten helemaal niet blij waren met de tocht van Israël door de woestijn. Want telkens weer zou Israël bij hun bronnen en fonteinen komen en ze zouden het water opdrinken. En het vee van de Israëlieten zou de schaarse stukjes groen kaal vreten. En daarom: Amalek voelt zich bedreigd in zijn levensruimte en daarom willen ze deze indringer verjagen. En toch, gemeente, zit er nog meer achter. De Amalekieten waren immers afstammelingen van Ezau. Amalek, de stamvader van dit volk, was de kleinzoon van Ezau. En dan zien we hier weer die zwarte draad, die zwarte draad van de broederhaat tussen Jakob en Ezau. Een zwarte draad die door heel de geschiedenis heen loopt. Denkt u maar aan de tijd van koning Saul en denkt u aan de strijd van Esther tegen Haman, de Amalekiet. Totdat het zijn climax bereikt in het Nieuwe Testament. Koning Herodes, ook een afstammeling van Ezau, probeert om de grote zoon van Jakob, Jezus Christus, te doden. Amalek en Israël, Ezau en Jakob. Hier in de woestijn, twee broedervolken tegenover elkaar. Of moet ik het nog anders zeggen? Het volk van God, bedreigd door de machten van de satan. Want in die eeuwenlange broederhaat tussen Jakob en Ezau zien we de strijd tussen de duisternis en het licht, tussen God en de satan. En gemeente, dat is een strijd die voortduurt tot op vandaag. En daarom wat ligt er veel in die enkele woorden: "Toen kwam Amalek." Wat een schrik, wat een teleurstelling voor Israël. Ze hadden misschien gedacht om rustig door de woestijn te kunnen trekken. De strijd was nu voorbij. En nu gaat het zo anders. In Egypte had de Heere voor hen gestreden en bij de Rode Zee eveneens. Maar nu worden ze zelf in de strijd gezonden. En gemeente, zo doet de Heere dat ook vandaag nog in het leven van zijn kinderen. Als u terugkijkt in uw leven, mag u misschien ook weten van uitreddingen door de nood van
EjQKMgEMOdbH8lCzxdsBUoC+xtxBS9hrJPBa2T4sCHGglguIN5tLe25jBW8lPoWew+LCzEx3
