[26] Ezech. 47: 1-12
Collectie: 2412-noorlandt-tape-150
U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.
bloeien gelijk op Libanon, weet koesteren van de zonde palmen ceder groeien. Psalm 92 vers 7 na de prediking. Onder verschillende beelden gemeente wordt de persoon en het werk van de Heilige Geest telkens weer in het woord van God ons voor ogen gesteld. En als vanzelfsprekend denken we aan de tekenen die de uitstorting van de Heilige Geest vergezellen. Aan het geluid als van een geweldig gedreven wind en de verdeelde tongen als van vuur. En voor een ander heel bekend beeld voor de Heilige Geest is het beeld van het water, van het levenswater. Profeteerde Jesaja niet reeds onder het oude verbond de rijke geestesbedeling onder het nieuwe verbond met de woorden: Gij lieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils en op een andere plaats, vrees niet Jacob mijn knecht en Jescherun die ik verkoren heb, want ik zal water gieten op het dorstige en stromen op het droge. Ik zal mijn geest gieten op uw zaad en mijn zegen op uw nakomelingen. En heeft ook de Here Jezus Christus zelf niet het beeld van water voor de Heilige Geest gebruikt? Op het lofhuttenfeest te Jeruzalem, riep hij met grote stem: Wie dorst heeft die kome en drinke. En die in mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien, waarbij de evangelist de kanttekening maakt dat hij dit zeide van de Heilige Geest, de welke ontvangen zouden allen die in hem geloofden. Ook in het visioen dat Ezechiel in onze tekst vanavond ons vertelt, wordt de Heilige Geest vergeleken bij water, bij een stroom van water, bij de brede tempelrivier. We willen dat nader met u overdenken wanneer we tot u spreken over de geestestroom. En we letten ten eerste op zijn veelbetekenende oorsprong, ten tweede op zijn krachtige voortgang en ten derde op zijn wonderbare kracht. Dus de geestestroom, zijn veelbetekenende oorsprong, zijn krachtige voortgang en zijn wonderbare kracht. Het waren wel heel erg moeilijke dagen voor de profeet Ezechiël, waarin de Here hem dat machtige visioen dat vanavond voor ons ligt, opengeslagen deed aanschouwen. In de ballingschap aan de rivier aan de rivieren van Babel neergezeten, bereikte hem het droeve bericht dat Nebukadnezar de Heilige Stad had ingenomen en dat hij zijn schendende hand had uitgestrekt tegen de tempel en tegen de andere heiligheden des Heren. Algemeen heerste nu de moedeloze gedachte dat het met het volk van Israël afgelopen was, dat het met het volk gedaan was. De stroom van Israëls volksbestaan scheen verzonnen, scheen doodgelopen. Maar nu laat de Here aan Ezechiël zien dat hij in zijn raad dit anders heeft beschikt. Ook al schijnt het dan dat het werk van God met Israël radicaal op een mislukking is uitgelopen, maar God zal spreken door de taal der feiten. God zal tonen dat hij een God is die de oren wonderen doet op wonderen horen. In een reeks van machtige visioenen die vanaf hoofdstuk 40 ons beschreven worden, mag Ezechiël iets van die heerlijke wonderdaden van God aanschouwen. Een nieuw glorietijdperk zal voor Israël aanbreken. De profeet mag aanschouwen een nieuwe tempel waarvan de luister en de majesteit vrijwel elke beschrijving te boven gaat. En van onder de drempel van de deur van die nieuwe tempel ziet hij een stroom tevoorschijn komen die steeds voller en die steeds dieper werd. Nee, de stroom van het werk van God met Israël is niet verzonnen, is niet doodgelopen in het slop van de ballingschap. Integendeel, op buitengewoon snelle wijze zal het zich uitbreiden. Zie het maar aan die wassende wateren. Straks zal de Christus komen en als EjQKMgEMOdbHzVSI61HgbwBFrs8V1a78xoqAAqAjN/a4oKRJicgv7YTVGWh3WK2GIvQrf4gm
Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?
bloeien gelijk op Libanon, weet koesteren van de zonde palmen ceder groeien. Psalm 92 vers 7 na de prediking. Onder verschillende beelden gemeente wordt de persoon en het werk van de Heilige Geest telkens weer in het woord van God ons voor ogen gesteld. En als vanzelfsprekend denken we aan de tekenen die de uitstorting van de Heilige Geest vergezellen. Aan het geluid als van een geweldig gedreven wind en de verdeelde tongen als van vuur. En voor een ander heel bekend beeld voor de Heilige Geest is het beeld van het water, van het levenswater. Profeteerde Jesaja niet reeds onder het oude verbond de rijke geestesbedeling onder het nieuwe verbond met de woorden: Gij lieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils en op een andere plaats, vrees niet Jacob mijn knecht en Jescherun die ik verkoren heb, want ik zal water gieten op het dorstige en stromen op het droge. Ik zal mijn geest gieten op uw zaad en mijn zegen op uw nakomelingen. En heeft ook de Here Jezus Christus zelf niet het beeld van water voor de Heilige Geest gebruikt? Op het lofhuttenfeest te Jeruzalem, riep hij met grote stem: Wie dorst heeft die kome en drinke. En die in mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien, waarbij de evangelist de kanttekening maakt dat hij dit zeide van de Heilige Geest, de welke ontvangen zouden allen die in hem geloofden. Ook in het visioen dat Ezechiel in onze tekst vanavond ons vertelt, wordt de Heilige Geest vergeleken bij water, bij een stroom van water, bij de brede tempelrivier. We willen dat nader met u overdenken wanneer we tot u spreken over de geestestroom. En we letten ten eerste op zijn veelbetekenende oorsprong, ten tweede op zijn krachtige voortgang en ten derde op zijn wonderbare kracht. Dus de geestestroom, zijn veelbetekenende oorsprong, zijn krachtige voortgang en zijn wonderbare kracht. Het waren wel heel erg moeilijke dagen voor de profeet Ezechiël, waarin de Here hem dat machtige visioen dat vanavond voor ons ligt, opengeslagen deed aanschouwen. In de ballingschap aan de rivier aan de rivieren van Babel neergezeten, bereikte hem het droeve bericht dat Nebukadnezar de Heilige Stad had ingenomen en dat hij zijn schendende hand had uitgestrekt tegen de tempel en tegen de andere heiligheden des Heren. Algemeen heerste nu de moedeloze gedachte dat het met het volk van Israël afgelopen was, dat het met het volk gedaan was. De stroom van Israëls volksbestaan scheen verzonnen, scheen doodgelopen. Maar nu laat de Here aan Ezechiël zien dat hij in zijn raad dit anders heeft beschikt. Ook al schijnt het dan dat het werk van God met Israël radicaal op een mislukking is uitgelopen, maar God zal spreken door de taal der feiten. God zal tonen dat hij een God is die de oren wonderen doet op wonderen horen. In een reeks van machtige visioenen die vanaf hoofdstuk 40 ons beschreven worden, mag Ezechiël iets van die heerlijke wonderdaden van God aanschouwen. Een nieuw glorietijdperk zal voor Israël aanbreken. De profeet mag aanschouwen een nieuwe tempel waarvan de luister en de majesteit vrijwel elke beschrijving te boven gaat. En van onder de drempel van de deur van die nieuwe tempel ziet hij een stroom tevoorschijn komen die steeds voller en die steeds dieper werd. Nee, de stroom van het werk van God met Israël is niet verzonnen, is niet doodgelopen in het slop van de ballingschap. Integendeel, op buitengewoon snelle wijze zal het zich uitbreiden. Zie het maar aan die wassende wateren. Straks zal de Christus komen en als
EjQKMgEMOdbHzVSI61HgbwBFrs8V1a78xoqAAqAjN/a4oKRJicgv7YTVGWh3WK2GIvQrf4gm
