[66] Op. 12: 5, 6

Voorganger

Exalto, K.

Datum preek

6 december 1981

U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.

Gemeente, wie kennis neemt van de hele Bijbel en niet alleen van de vier evangelieën, zal ontdekken dat de kerstgeschiedenis niet alleen maar voorkomt in Lucas 2, maar ook elders, in ieder geval ook in het boek Openbaring. In Openbaring 12, het hoofdstuk waaruit we onze tekstwoorden hebben gekozen, lezen wij van het vrouw van de vrouw, het kind en de draak. En het is niet moeilijk om in deze figuren het kind Jezus en de duivel te herkennen. Wij lezen hoe dit kind is geboren, hoe bedreigd is door de draak, maar ook is gered en weggerukt is tot God en zijn troon, wat ons denken doet aan de hemelvaart. Het zal in deze dienst dus gaan over Christus’ geboorte, maar tegelijk ook over zijn hemelvaart. En het zal gaan over nog veel meer, over de kerk, haar verdrukking en hoe ze bewaard wordt tot aan het einde der dagen toe. Johannes heeft weer een nieuw visioen. Een groot teken in de hemel wordt door hem gezien. Wat ziet hij? Hij ziet allereerst een vrouw. Is het maar gewoon een vrouw? Nee, een koningin, een hemelse koningin. Schitterend ziet zij eruit. Ze is bekleed met de zon. Ze straalt dus licht uit, het licht van de zon. Maar er is nog meer. Ze staat op de maan. De maan is onder haar voeten. Wij zullen hierbij denken moeten aan de maancirkel. Bovendien, ze is gekroond. Een krans van 12 sterren ligt om haar hoofd. U bemerkt wel, gemeente, deze vrouw, deze hemelse vorstin, is zeer heerlijk. U denkt: “En wie zal dat nu zijn?” Daar kunnen we wel een antwoord op geven. Met deze hemelse koningin kan niet anders bedoeld zijn dan de kerk. De christelijke gemeente. Nog beter gezegd: de kerk van alle eeuwen, de kerk van het Oude Verbond en de kerk van het Nieuwe Verbond. De kerk, die al met Adam en Eva een aanvang heeft genomen en die er nog altijd is en ook altijd wezen zal. De Romeinse kerk zegt: “Het is Maria.” Maar dat klopt niet. Want deze vrouw heeft niet alleen Christus gebaard, ze heeft ook de gelovigen gebaard. Dat vindt u nadrukkelijk in vers 17. En dat kan uiteraard niet van Maria worden gezegd. In vers 17 lezen wij van haar zaad. En dan blijkt dat het christenen zijn. De christenen die, zoals we ook in datzelfde vers lezen, de geboden Gods bewaren en het getuigenis van Jezus Christus hebben. Het gaat hier dus over de kerk, die een moeder is, die Christus gebaard heeft, maar die ook alle gelovigen gebaard heeft en dat nog doet. Deze vrouw, deze hemelse koningin is er nog. Ze is de moeder der gelovigen. Zullen we dan helemaal niet aan Maria mogen denken? Zeker wel, maar niet in de eerste plaats, veeleer pas in de laatste plaats. In zoverre ook zij een lid van de kerk is geweest. Ik wil een beeld gebruiken, gemeente: als u een piramide ziet, dan ziet u dat zij een spits heeft. Die spits is van belang. Maar de piramide zelf, in zijn geheel, is natuurlijk nog veel belangrijker. Die spits zou er zelf niet eens zijn als die piramide zelf er niet was. Welnu, Maria zou er niet zijn als er niet de kerk was. Zij behoort bij de kerk. Ze is niet méér dan de kerk. Zij is, wat de geboorte van Christus betreft, de spits slechts van de piramide. Zie, alleen in die zin zullen wij ook aan Maria mogen denken bij het lezen van dit schriftgedeelte. En nu wat er verder gebeurt is. Wij lezen: “En die vrouw was zwanger.” Ja, ze was in barensnood. Dat ziet, gemeente, op de kerk van het Oude Verbond. Die is in barensnood geweest. Die moest Christus voortbrengen. O, wat een werk is dat geweest! Zo moet u eens gaan lezen: heel het Oude Testament als een boek van Christus’ geboorte. In het Oude Testament ziet u hem liggen in de moederschoot en u EjQKMgEMOdbHSoe01GqqNRlA6JQ5vj1QQIQ852prp8dfQcxAv74beHfOjramW9yE3jmB02D+


Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?


Gemeente, wie kennis neemt van de hele Bijbel en niet alleen van de vier evangelieën, zal ontdekken dat de kerstgeschiedenis niet alleen maar voorkomt in Lucas 2, maar ook elders, in ieder geval ook in het boek Openbaring. In Openbaring 12, het hoofdstuk waaruit we onze tekstwoorden hebben gekozen, lezen wij van het vrouw van de vrouw, het kind en de draak. En het is niet moeilijk om in deze figuren het kind Jezus en de duivel te herkennen. Wij lezen hoe dit kind is geboren, hoe bedreigd is door de draak, maar ook is gered en weggerukt is tot God en zijn troon, wat ons denken doet aan de hemelvaart. Het zal in deze dienst dus gaan over Christus' geboorte, maar tegelijk ook over zijn hemelvaart. En het zal gaan over nog veel meer, over de kerk, haar verdrukking en hoe ze bewaard wordt tot aan het einde der dagen toe. Johannes heeft weer een nieuw visioen. Een groot teken in de hemel wordt door hem gezien. Wat ziet hij? Hij ziet allereerst een vrouw. Is het maar gewoon een vrouw? Nee, een koningin, een hemelse koningin. Schitterend ziet zij eruit. Ze is bekleed met de zon. Ze straalt dus licht uit, het licht van de zon. Maar er is nog meer. Ze staat op de maan. De maan is onder haar voeten. Wij zullen hierbij denken moeten aan de maancirkel. Bovendien, ze is gekroond. Een krans van 12 sterren ligt om haar hoofd. U bemerkt wel, gemeente, deze vrouw, deze hemelse vorstin, is zeer heerlijk. U denkt: "En wie zal dat nu zijn?" Daar kunnen we wel een antwoord op geven. Met deze hemelse koningin kan niet anders bedoeld zijn dan de kerk. De christelijke gemeente. Nog beter gezegd: de kerk van alle eeuwen, de kerk van het Oude Verbond en de kerk van het Nieuwe Verbond. De kerk, die al met Adam en Eva een aanvang heeft genomen en die er nog altijd is en ook altijd wezen zal. De Romeinse kerk zegt: "Het is Maria." Maar dat klopt niet. Want deze vrouw heeft niet alleen Christus gebaard, ze heeft ook de gelovigen gebaard. Dat vindt u nadrukkelijk in vers 17. En dat kan uiteraard niet van Maria worden gezegd. In vers 17 lezen wij van haar zaad. En dan blijkt dat het christenen zijn. De christenen die, zoals we ook in datzelfde vers lezen, de geboden Gods bewaren en het getuigenis van Jezus Christus hebben. Het gaat hier dus over de kerk, die een moeder is, die Christus gebaard heeft, maar die ook alle gelovigen gebaard heeft en dat nog doet. Deze vrouw, deze hemelse koningin is er nog. Ze is de moeder der gelovigen. Zullen we dan helemaal niet aan Maria mogen denken? Zeker wel, maar niet in de eerste plaats, veeleer pas in de laatste plaats. In zoverre ook zij een lid van de kerk is geweest. Ik wil een beeld gebruiken, gemeente: als u een piramide ziet, dan ziet u dat zij een spits heeft. Die spits is van belang. Maar de piramide zelf, in zijn geheel, is natuurlijk nog veel belangrijker. Die spits zou er zelf niet eens zijn als die piramide zelf er niet was. Welnu, Maria zou er niet zijn als er niet de kerk was. Zij behoort bij de kerk. Ze is niet méér dan de kerk. Zij is, wat de geboorte van Christus betreft, de spits slechts van de piramide. Zie, alleen in die zin zullen wij ook aan Maria mogen denken bij het lezen van dit schriftgedeelte. En nu wat er verder gebeurt is. Wij lezen: "En die vrouw was zwanger." Ja, ze was in barensnood. Dat ziet, gemeente, op de kerk van het Oude Verbond. Die is in barensnood geweest. Die moest Christus voortbrengen. O, wat een werk is dat geweest! Zo moet u eens gaan lezen: heel het Oude Testament als een boek van Christus' geboorte. In het Oude Testament ziet u hem liggen in de moederschoot en u
EjQKMgEMOdbHSoe01GqqNRlA6JQ5vj1QQIQ852prp8dfQcxAv74beHfOjramW9yE3jmB02D+

K. Exalto (1919-2003): kand. 1955, Brakel-hg 1955, Melissant-hg 1960, Noordeloos-hg 1966, Hasselt-hg 1972, Benthuizen-hg 1978-85. Bron: dominees.nl.