[27] Dan. 2: 1,

Voorganger

Hovius, W.Chr.

U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.

Gemeente, er is een heel mooi spreekwoord dat u misschien wel eens hebt horen gebruiken en dat luidt: ‘s mensen verlegenheid is Gods gelegenheid.’ Gemeente, zo gaat het altijd weer met al de leidingen die God houdt, met volkeren, met mensen ook afzonderlijk. Hij is de God van de wonderen, die altijd weer door de weg van de onmogelijkheid heen komt en werkt. Want zo gauw is de mens niet verlegen, uitgepraat, uitgedacht. Aan het einde van zichzelf wordt het ene bij de hand afgebroken, daar raken we het andere weer snel op. Wat is daar een genade voor nodig? Wat heeft God een werk eraan om een mens er met al het zijne buiten te doen vallen, in verlegenheid te brengen, opdat hij zich zo ruim baan zou verschaffen en zichzelf in zijn eigen werk zou verheerlijken tot lof van zijn grote naam en tot wonderlijk welzijn van alle, die het zo van Hem mogen leren.

Daarover, gemeente, gaat ook de boodschap die wij vanmorgen samen uit Daniël 2 gaan overdenken. De tekstwoorden vindt u in het tweede hoofdstuk van het boek Daniël. Het eerste, het elfde en het zestiende vers. Deze woorden: “In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnezar droomden Nebukadnezar dromen. Daarvan werd zijn geest verslagen en zijn slaap werd in hem gebroken.” Vers 11: “Want de zaak,” - zo zeggen de Galdeeën, - “want de zaak die de koning begeert, is te zwaar. Er is niemand anders die dezelve voor de koning te kennen kan geven dan de goden, welker woning bij het vlees niet is.” Vers 16: “En Daniël ging in en verzocht van den koning dat hij hem een bestemde tijd wilde geven, dat hij de koning de uitlegging te kennen gave.”

We spreken nu vanmorgen over: “Babels verlegenheid is Gods gelegenheid.” We staan stil, ten eerste, bij een verslagen koning, ten tweede bij verlegen wijzen, en ten derde bij een welverzekerde Daniël. Babels verlegenheid is Gods gelegenheid. We letten op een verslagen koning, op verlegene wijzen en op een welverzekerde Daniël. Voordat wij deze drie gedachten in uw midden gaan ontvouwen, zingen wij met elkander uit de 52e Psalm, daarvan de verzen 1, 4 en 5. U krijgt nu gelegenheid om uwe gaven uit te reiken bij de eerste rondgang voor de arbeid van de diaconie en bij de tweede voor de eredienst onder beheer van de kerkvoogdij, die u hartelijk is aanbevolen. Deze tijd geven wij nog wel eens het nodige uit, er is een extra gaven in de zomertijd. Vergeet u niet dat ook de eredienst die nodig heeft en het is een goede zaak om elke week daarvoor wat weg te leggen. Daaruit blijkt wat u over hebt voor de dienst van het koninkrijk Gods. Straks bij de tussen zang is er de extra collecte voor onze hervormde scholen. Psalm 52 vers 1: waartoe u dus beroemd in het kwade vermeteren dwingerland? Vers 4: “God zal u voor zijn wraak doen bukken.” En vers 5: “Zie,” zal men zeggen, “zie den dwaze, die op zijn rijkdom stout, ons wilde door zijn macht verbazen.” 1, 4 en 5 van Psalm 52, terwijl God u zegene bij het uitreiken van uwe gaven.

(Muziek)


Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?


Gemeente, er is een heel mooi spreekwoord dat u misschien wel eens hebt horen gebruiken en dat luidt: 's mensen verlegenheid is Gods gelegenheid.' Gemeente, zo gaat het altijd weer met al de leidingen die God houdt, met volkeren, met mensen ook afzonderlijk. Hij is de God van de wonderen, die altijd weer door de weg van de onmogelijkheid heen komt en werkt. Want zo gauw is de mens niet verlegen, uitgepraat, uitgedacht. Aan het einde van zichzelf wordt het ene bij de hand afgebroken, daar raken we het andere weer snel op. Wat is daar een genade voor nodig? Wat heeft God een werk eraan om een mens er met al het zijne buiten te doen vallen, in verlegenheid te brengen, opdat hij zich zo ruim baan zou verschaffen en zichzelf in zijn eigen werk zou verheerlijken tot lof van zijn grote naam en tot wonderlijk welzijn van alle, die het zo van Hem mogen leren.

Daarover, gemeente, gaat ook de boodschap die wij vanmorgen samen uit Daniël 2 gaan overdenken. De tekstwoorden vindt u in het tweede hoofdstuk van het boek Daniël. Het eerste, het elfde en het zestiende vers. Deze woorden: "In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnezar droomden Nebukadnezar dromen. Daarvan werd zijn geest verslagen en zijn slaap werd in hem gebroken." Vers 11: "Want de zaak," - zo zeggen de Galdeeën, - "want de zaak die de koning begeert, is te zwaar. Er is niemand anders die dezelve voor de koning te kennen kan geven dan de goden, welker woning bij het vlees niet is." Vers 16: "En Daniël ging in en verzocht van den koning dat hij hem een bestemde tijd wilde geven, dat hij de koning de uitlegging te kennen gave." 

We spreken nu vanmorgen over: "Babels verlegenheid is Gods gelegenheid." We staan stil, ten eerste, bij een verslagen koning, ten tweede bij verlegen wijzen, en ten derde bij een welverzekerde Daniël. Babels verlegenheid is Gods gelegenheid. We letten op een verslagen koning, op verlegene wijzen en op een welverzekerde Daniël. Voordat wij deze drie gedachten in uw midden gaan ontvouwen, zingen wij met elkander uit de 52e Psalm, daarvan de verzen 1, 4 en 5. U krijgt nu gelegenheid om uwe gaven uit te reiken bij de eerste rondgang voor de arbeid van de diaconie en bij de tweede voor de eredienst onder beheer van de kerkvoogdij, die u hartelijk is aanbevolen. Deze tijd geven wij nog wel eens het nodige uit, er is een extra gaven in de zomertijd. Vergeet u niet dat ook de eredienst die nodig heeft en het is een goede zaak om elke week daarvoor wat weg te leggen. Daaruit blijkt wat u over hebt voor de dienst van het koninkrijk Gods. Straks bij de tussen zang is er de extra collecte voor onze hervormde scholen. Psalm 52 vers 1: waartoe u dus beroemd in het kwade vermeteren dwingerland? Vers 4: "God zal u voor zijn wraak doen bukken." En vers 5: "Zie," zal men zeggen, "zie den dwaze, die op zijn rijkdom stout, ons wilde door zijn macht verbazen." 1, 4 en 5 van Psalm 52, terwijl God u zegene bij het uitreiken van uwe gaven. 

(Muziek)

W.C. Hovius (1934-2020): studie Utrecht, kand. 1961, hulppred. Bilthoven-hg 01-1961, pred. Nieuw-Lekkerland-hg 04-1961, Katwijk aan Zee-hg 1966, Ede-hg 1970, Katwijk aan Zee-hg 1975, Apeldoorn-bw-hg 1979, Katwijk aan Zee-hg 1985-96, hulppred. Apeldoorn-bw-hg 1996, Zutphen-evang 1999-2009. Bron: dominees.nl.