[47] 2Kor. 12: 7-9

Voorganger

Brons, J.

U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.

Er is een verhaal bekend, gemeente, dat Caesar, de keizer van Rome, eens een verbod deed uitgaan dat alle inwoners van deze stad zich moesten opstellen voor de deur van hun huis. En een ieder moest zijn eigen leed en verdriet afbeelden in een zichtbaar kruis dat hij staande voor de deur van zijn woning in de hand moest houden. De vastgestelde datum brak aan, Caesar steeg te paard om de verschillende kruisen van zijn onderdanen in ogenschouw te nemen en zo de maat van hun leed en verdriet te peilen. Bij zijn rondgang door de stad zag hij kruisen in grote verscheidenheid. Er waren er die een groot houten kruis hadden gemaakt. Sommigen hadden het netjes bijgeschaafd, anderen hadden het ruw gelaten. Er waren er ook met een ijzeren en met een koperen kruis. Er waren er ook met een zilveren en een gouden kruis. De één had een kruis met doornen en anderen een kruis met bloemen eromheen gevlochten. Er was een grote variatie. En wanneer de keizer dit alles in ogenschouw neemt, dan ontdekt hij opeens tot zijn verwondering een man die daar zonder kruis voor zijn huis staat. Hij houdt stil en hij zegt: “Wat is dit? Hebt u mijn gebod soms niet gehoord of bent u één van de weinigen dat er in uw leven geen enkel verdriet, geen enkel kruis is?” En dan antwoordt die man, terwijl de tranen hem in de ogen sprongen: “O majesteit, mijn kruis is zo groot dat ik het niet door de deur kon krijgen.” Onze tekst bepaalt ons vanavond bij zo’n kruisdrager die ook in eigen kracht het kruis niet door de deur kon krijgen. We willen dat nader met u overdenken wanneer we tot u spreken over het kruis van Paulus. We letten daarbij ten eerste: Paulus bedroefd beproefd door het kruis, ten tweede: Paulus biddende onder het kruis, en ten derde: Paulus roemende in het kruis. Dus het kruis van de apostel Paulus: Paulus beproefd door het kruis, biddende onder het kruis en roemende in het kruis. En Paulus vergunt het ons, vanavond, gemeente, om in ons teksthoofdstuk een blik te slaan in zijn zieleleven. Om niet zichzelf, maar Gods genade voorop te stellen, dan spreekt hij eerst heel ootmoedig van zichzelf als van ik en een mens in Christus. Zo, op het eerste gezicht dan lijkt het wel of hij een ander bedoelt. Maar uit heel het verband en met name ook uit de woorden van onze tekst, blijkt duidelijk dat hij zichzelf op het oog heeft. En in de verzen die aan onze tekst voorafgaan, mag hij getuigen van een geweldig groot voorrecht dat hem ten deel was gevallen. Een buitengewone openbaring was hem geschonken. Het was nu al 14 jaar geleden. Maar hij herinnert het zich nog zo levendig als was het de dag van gisteren. Er zijn in het leven van Gods kinderen tijden die ze nooit meer vergeten. Waarvan geldt dat geen leed het ooit meer uit hun geheugen zal kunnen uitwissen. Het was voor de apostel een ogenblik geweest van onuitsprekelijk zielsgenot toen hij werd opgetrokken tot in de derde hemel. Of het in het lichaam geschied is of buiten het lichaam, met andere woorden of alleen de geest daarbij betrokken was of dat ook het lichaam in die hemelse sferen verkeerde, dat weet de apostel niet te zeggen. Maar dit weet hij wel, dat hij werd opgenomen tot in het paradijs. Tot in de plaats waar de troon van God is, waar de serafse driewerf heilig en de gezaligden het lof en het danklied zingen tot eer van de Drie-enige God. En onuitsprekelijke dingen had hij daar gehoord die in EjQKMgEMOdbHSjBDEXnM6mxqU8Hws+WXH5j+LvLdhlkMLALXCUOlR2B1Czqatp1Ip4+iJiWV


Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?


Er is een verhaal bekend, gemeente, dat Caesar, de keizer van Rome, eens een verbod deed uitgaan dat alle inwoners van deze stad zich moesten opstellen voor de deur van hun huis. En een ieder moest zijn eigen leed en verdriet afbeelden in een zichtbaar kruis dat hij staande voor de deur van zijn woning in de hand moest houden. De vastgestelde datum brak aan, Caesar steeg te paard om de verschillende kruisen van zijn onderdanen in ogenschouw te nemen en zo de maat van hun leed en verdriet te peilen. Bij zijn rondgang door de stad zag hij kruisen in grote verscheidenheid. Er waren er die een groot houten kruis hadden gemaakt. Sommigen hadden het netjes bijgeschaafd, anderen hadden het ruw gelaten. Er waren er ook met een ijzeren en met een koperen kruis. Er waren er ook met een zilveren en een gouden kruis. De één had een kruis met doornen en anderen een kruis met bloemen eromheen gevlochten. Er was een grote variatie. En wanneer de keizer dit alles in ogenschouw neemt, dan ontdekt hij opeens tot zijn verwondering een man die daar zonder kruis voor zijn huis staat. Hij houdt stil en hij zegt: "Wat is dit? Hebt u mijn gebod soms niet gehoord of bent u één van de weinigen dat er in uw leven geen enkel verdriet, geen enkel kruis is?" En dan antwoordt die man, terwijl de tranen hem in de ogen sprongen: "O majesteit, mijn kruis is zo groot dat ik het niet door de deur kon krijgen." Onze tekst bepaalt ons vanavond bij zo'n kruisdrager die ook in eigen kracht het kruis niet door de deur kon krijgen. We willen dat nader met u overdenken wanneer we tot u spreken over het kruis van Paulus. We letten daarbij ten eerste: Paulus bedroefd beproefd door het kruis, ten tweede: Paulus biddende onder het kruis, en ten derde: Paulus roemende in het kruis. Dus het kruis van de apostel Paulus: Paulus beproefd door het kruis, biddende onder het kruis en roemende in het kruis. En Paulus vergunt het ons, vanavond, gemeente, om in ons teksthoofdstuk een blik te slaan in zijn zieleleven. Om niet zichzelf, maar Gods genade voorop te stellen, dan spreekt hij eerst heel ootmoedig van zichzelf als van ik en een mens in Christus. Zo, op het eerste gezicht dan lijkt het wel of hij een ander bedoelt. Maar uit heel het verband en met name ook uit de woorden van onze tekst, blijkt duidelijk dat hij zichzelf op het oog heeft. En in de verzen die aan onze tekst voorafgaan, mag hij getuigen van een geweldig groot voorrecht dat hem ten deel was gevallen. Een buitengewone openbaring was hem geschonken. Het was nu al 14 jaar geleden. Maar hij herinnert het zich nog zo levendig als was het de dag van gisteren. Er zijn in het leven van Gods kinderen tijden die ze nooit meer vergeten. Waarvan geldt dat geen leed het ooit meer uit hun geheugen zal kunnen uitwissen. Het was voor de apostel een ogenblik geweest van onuitsprekelijk zielsgenot toen hij werd opgetrokken tot in de derde hemel. Of het in het lichaam geschied is of buiten het lichaam, met andere woorden of alleen de geest daarbij betrokken was of dat ook het lichaam in die hemelse sferen verkeerde, dat weet de apostel niet te zeggen. Maar dit weet hij wel, dat hij werd opgenomen tot in het paradijs. Tot in de plaats waar de troon van God is, waar de serafse driewerf heilig en de gezaligden het lof en het danklied zingen tot eer van de Drie-enige God. En onuitsprekelijke dingen had hij daar gehoord die in 
EjQKMgEMOdbHSjBDEXnM6mxqU8Hws+WXH5j+LvLdhlkMLALXCUOlR2B1Czqatp1Ip4+iJiWV

No information on J. Brons yet available.