[58] Heb. 6: 18-20
Collectie: 2412-noorlandt-tape-150
U kunt de preek hier beluisteren en lezen, of de tekst van de preek kopiëren naar het klembord.
Het avondmaalgemeente, zoals dat vanmorgen in ons midden, ook weer mocht worden bediend, is geen zaak die op zichzelf staat. Wanneer de Here met Abraham zijn verbond sluit, dan doet de Here hem niet alleen zien op het heden, maar ook op de toekomst. De Here verzekert er van de, volk, verzekert hem van de volkomen verlossing die er dwars door de vreemdelingschap, door de dienstbaarheid en door de verdrukking die er voor zijn volk zal zijn, dan ook ten volle zal aanbreken. En van die toekomst heeft ook niet minder de Heere Jezus Christus direct gesproken bij de instelling van het heilig avondmaal. Wanneer Hij als tekenen en zegelen van het nieuwe verbond voor de eerste maal het brood breekt en de drinkbeker vergiet, dan getuigt Hij het ook vol majesteit tot zijn discipelen en in hen tot heel zijn kerk, want ik zeg u: “Dat ik daarvan niet meer eten en niet meer drinken zal totdat het vervuld zal zijn in het koninkrijk Gods en gij als dan opnieuw met mij zult eten en zult drinken aan mijn tafel in mijn koninkrijk.” En wanneer we zo naar Christus wordt die lijn mogen ontdekken van de avondmaalstafel hier beneden tot de avondmaalstafel boven. Wat krijgt dan het sacrament van het avondmaal nog veel rijkere en nog veel diepere betekenis voor ons? Echter, met dat al, zijn we nog niet aan het avondmaal in de hemel. Zoals de Here tot Abraham sprak, dan gaat er ook voor ons vaak een lange en een moeilijke weg nog aan vooraf. Echter, levend uit wat de Here in het avondmaal ons heeft geschonken, dan is het de christelijke hoop die ons door dit alles heen tot een zekere en tot een vaste leidsman wil zijn. Hoe rijk getuigt daarvan het woord van onze tekst. Wanneer de Hebreënbrief het zegt opdat wij in twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liegt, een sterke vertroosting zouden hebben. Wij namelijk die de toevlucht genomen hebben om die voorgestelde hoop vast te houden, welke wij hebben als een anker der ziel dat zeker en vast is en ingaat in het binnenste van het voorhangsel, waar de voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek een hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid. We willen dat nader met u overdenken, wanneer we vanavond tot u spreken over de vastheid van de christelijke levenshoop als vrucht van de avondmaalsviering. En we zien ten eerste waarin de vastheid van deze hoop is gegrond, ten tweede door wie de vastheid van deze hoop wordt ervaren, en ten derde waar de vastheid van deze hoop zich opricht. Dus de vastheid van de christelijke levenshoop als vrucht van de avondmaalsviering waarin deze vastheid is gegrond, door wie ze wordt ervaren en waar ze zich opricht. Onze tekstgemeente is vanavond genomen uit de brief aan de Hebreën en deze Hebreën waren zeer waarschijnlijk christenen uit de Joden, die het in in vele opzichten niet gemakkelijk hadden in hun leven. Er waren voor hen nogal veel zware beproevingen op hun geloofsweg. En daar door dreigde voor velen van hen het gevaar van moedeloosheid en van ingezonkenheid. Het gevaar van vertraging en van verslapping in het hopen op God. Ja, zelfs het gevaar van afval, van verloochening van van het eens door hen zo krachtig en zo heerlijk beleden geloof. En en daartegenover wekt nu het woord van God in deze brief hen op dat dit bij hen zo niet mag zijn. Zij moeten niet moe en mat worden in de geestelijke strijd. Zij mogen niet door moedeloosheid en door ingezonkenheid zich laten beheersen. Maar veel eer moeten zij, zo zegt ons vers 12, moeten zij navolgers zijn van degene die door geloof en door lankmoedigheid, dat wil hier zeggen door volharding. EjQKMgEMOdbHcy9nnwC0z25+lL57CuX7F5Koss27zlpWbsA9dDgMPsKlVbLvxRWvPFTAEpMc
Deze tekst is een automatische transcriptie met behulp van kunstmatige intelligentie. Als u eventuele fouten in deze tekst wilt (helpen) verbeteren, wilt u ons dat dan laten weten?
Het avondmaalgemeente, zoals dat vanmorgen in ons midden, ook weer mocht worden bediend, is geen zaak die op zichzelf staat. Wanneer de Here met Abraham zijn verbond sluit, dan doet de Here hem niet alleen zien op het heden, maar ook op de toekomst. De Here verzekert er van de, volk, verzekert hem van de volkomen verlossing die er dwars door de vreemdelingschap, door de dienstbaarheid en door de verdrukking die er voor zijn volk zal zijn, dan ook ten volle zal aanbreken. En van die toekomst heeft ook niet minder de Heere Jezus Christus direct gesproken bij de instelling van het heilig avondmaal. Wanneer Hij als tekenen en zegelen van het nieuwe verbond voor de eerste maal het brood breekt en de drinkbeker vergiet, dan getuigt Hij het ook vol majesteit tot zijn discipelen en in hen tot heel zijn kerk, want ik zeg u: "Dat ik daarvan niet meer eten en niet meer drinken zal totdat het vervuld zal zijn in het koninkrijk Gods en gij als dan opnieuw met mij zult eten en zult drinken aan mijn tafel in mijn koninkrijk." En wanneer we zo naar Christus wordt die lijn mogen ontdekken van de avondmaalstafel hier beneden tot de avondmaalstafel boven. Wat krijgt dan het sacrament van het avondmaal nog veel rijkere en nog veel diepere betekenis voor ons? Echter, met dat al, zijn we nog niet aan het avondmaal in de hemel. Zoals de Here tot Abraham sprak, dan gaat er ook voor ons vaak een lange en een moeilijke weg nog aan vooraf. Echter, levend uit wat de Here in het avondmaal ons heeft geschonken, dan is het de christelijke hoop die ons door dit alles heen tot een zekere en tot een vaste leidsman wil zijn. Hoe rijk getuigt daarvan het woord van onze tekst. Wanneer de Hebreënbrief het zegt opdat wij in twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liegt, een sterke vertroosting zouden hebben. Wij namelijk die de toevlucht genomen hebben om die voorgestelde hoop vast te houden, welke wij hebben als een anker der ziel dat zeker en vast is en ingaat in het binnenste van het voorhangsel, waar de voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek een hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid. We willen dat nader met u overdenken, wanneer we vanavond tot u spreken over de vastheid van de christelijke levenshoop als vrucht van de avondmaalsviering. En we zien ten eerste waarin de vastheid van deze hoop is gegrond, ten tweede door wie de vastheid van deze hoop wordt ervaren, en ten derde waar de vastheid van deze hoop zich opricht. Dus de vastheid van de christelijke levenshoop als vrucht van de avondmaalsviering waarin deze vastheid is gegrond, door wie ze wordt ervaren en waar ze zich opricht. Onze tekstgemeente is vanavond genomen uit de brief aan de Hebreën en deze Hebreën waren zeer waarschijnlijk christenen uit de Joden, die het in in vele opzichten niet gemakkelijk hadden in hun leven. Er waren voor hen nogal veel zware beproevingen op hun geloofsweg. En daar door dreigde voor velen van hen het gevaar van moedeloosheid en van ingezonkenheid. Het gevaar van vertraging en van verslapping in het hopen op God. Ja, zelfs het gevaar van afval, van verloochening van van het eens door hen zo krachtig en zo heerlijk beleden geloof. En en daartegenover wekt nu het woord van God in deze brief hen op dat dit bij hen zo niet mag zijn. Zij moeten niet moe en mat worden in de geestelijke strijd. Zij mogen niet door moedeloosheid en door ingezonkenheid zich laten beheersen. Maar veel eer moeten zij, zo zegt ons vers 12, moeten zij navolgers zijn van degene die door geloof en door lankmoedigheid, dat wil hier zeggen door volharding.
EjQKMgEMOdbHcy9nnwC0z25+lL57CuX7F5Koss27zlpWbsA9dDgMPsKlVbLvxRWvPFTAEpMc
